Mneer de foorsittuh

Veel werken in de onderkast overzien weliswaar het geheel, maar kiezen vanuit het brede perspectief voor een groter of kleiner onderdeel. Als de buizerd, die zwevend in het luchtruim alle bewegingen van muis en mens, das en damhert, relmuis en ree waarneemt, maar het besluit neemt ditmaal het eveneens waargenomen konijn op het dagmenu te zetten. Zo verkozen historici, de wereldgeschiedenis overziende, zich te richten op de veiling door de eeuwen heen, op de muts, sieraden, het weer, sport, bosbouw, et cetera. Het kleine, in groots, historisch kader.

In deze rubriek werd eerder melding gemaakt van een ontbrekende cultuurgeschiedenis van de tent en het kamperen. Daar wachten we nog steeds op. Een andere lege plek in de onderkast is echter inmiddels opgevuld, met Wilbert van Vrees gravende studie Nederland als vergaderland. Opkomst en verbreiding van een vergaderregime. De titel `vergaderkundige' die Wilbert van Vree zich heeft opgespeld, vind ik te bescheiden. We hebben in Nederland als vergaderland te maken met een erudiete geschiedschrijver, al begrijp ik Van Vree, die aan de vergadertafel zijn boterham verdient, met Vergaderkundig Bureau Van Vree.

Ik hou van boeken als Nederland als vergaderland. Ze zijn niet al te vlot geschreven, eerder degelijk dan leesbaar, maar wie zich moeite getroost vindt de mooiste dingen. Je voelt je schatgraver, zoals de historicus dat ongetwijfeld tijdens het bronnenonderzoek zelf ook heeft gevoeld. Zo vertelt Van Vree bijvoorbeeld dat vanaf de jaartelling tot diep in de middeleeuwen vaak werd vergaderd op een kapotte brug, die soms speciaal voor dat doel werd gebouwd. Beide partijen hadden dan het gevoel hun geschillen te moeten overbruggen, en mocht dat mislukken, dan bleven ze tenminste van elkaar af. Complete bruggen kwamen ook voor, met in het midden een hek. Tijdens de vergadering ging dat op slot, maar toen bij een dergelijke bijeenkomst in het begin van de vijftiende eeuw de Bourgondische Hertog Jan zonder Vrees zijn naam eer aandeed en het hek ontsloot werd hij meteen vermoord.

Van Vree heeft ongetwijfeld plezier gehad bij zijn omstandige, uiterst ernstige vergadergeschiedenis van de vroegste kampvuren tot nu, gezien de smaak waarmee hij met anekdotes en citaten strooit. Zo krijgt zijn beschrijving van de Synode van Dordrecht (1618), de nationale vergadering die het bondgenootschap van het (contraremonstrantse) geloof en de Staat vastlegde, vlees en bloed als we over de `onmatige toorn' van voorzitter Bogerman lezen, `die se in zijn laetste reden met soo groote hevigheit tegen de Remonstranten saegen uitbersten, dat hij noch gelaet noch tong kon bestieren, en naer 't getuigenis van eenigen, die 't hoorden, tot verscheide maelen toe, quaedt Latijn sprak.'

Onmiddellijk dwalen we af.

Kwaad Latijn, wat zou dat inhouden?

Ik loop naar de onderkast en grijp naar Henry Beards Latin for all occasions (1990). Bogerman heeft het ongetwijfeld niet gezegd, maar passend is het zeker: Aut id devorabis amabisque, aut cras prandebis! ('Je eet het nu op en vind het lekker, anders krijg je het morgen als ontbijt!').

Tijdens een vergadering kan veel mis gaan. Mensen komen te laat, bekvechten over zitplaats en spreekbeurt, beledigen, schelden, gaan anderen te lijf of vallen juist in slaap. `De ontwikkeling van het vergaderen in een meer vreedzame activiteit', zegt van Vree, `is langzaam en moeizaam verlopen'.

Voor de lezer van Nederland als vergaderland is dat een prettige bijkomstigheid. De `vergaderlijking' (meetization) van onze samenleving, van kringgesprekken op de crêche tot bejaardentehuisbewonersraad, komt de levendigheid niet ten goede. Beschaving — verbaal overleg, poldermodel, hoe zegenrijk het zakelijk overleg ook — is in dat opzicht saai.

Hebben al die vergaderende mensen eigenlijk wel iets te vertellen? Zo niet, dan bevat het eerste Nederlandse vergaderleerboek Een vergadering leiden (1934) door P.H. Ritter Jr. een fraaie `handleiding om zonder zorgen te praten, aanbevolen aan allen die niets te zeggen hebben':

`Geachte aanwezigen. Men kan zich als de vorige spreker de vraag stellen of, maar gelet op en gehoord hebben de overwegingen van om — als ik het tenminste goed begrepen heb — dan stel ik mij zo voor dat Het kan dus zijn, dat, maar laten we hier niet op vooruit lopen. Stel dat, welnu, dan is dat, dus Dan zijn wij in de situatie waarvan zojuist door gewag werd gemaakt en welke woorden ik niet/wel van harte onderschrijf. Deze opmerking is temeer (niet) van belang omdat Men dient aan zijn punt dus volle aandacht te schenken.'

Iedereen heeft wel eens ter vergadering iemand zien opstaan, horen kuchen (pauze) en beginnen met 'mneer (pauze) de eh (pauze) foorsittuh (langere pauze)'. Rondkijken.

`Geachte aanwezigen.'

Er begint verlangen te ontstaan. Naar de krant.

`Men kan zich als de vorige spreker de vraag stellen......'

Dit wordt een toespraak die men mag missen. Men opent de aktetas, pakt Van Vrees meetizising-historie en denkt met weemoed aan de tijden dat men zijn leven tijdens vergaderingen niet zeker was. Never a dull moment, dat wel.

Wilbert van Vree: `Nederland als vergaderland. Opkomst en verbreiding van een vergaderregime', Wolters Noordhoff, 340 blz. ƒ35,– Te bestellen bij Vergaderkundigbureau Van Vree, 020-41 20 477, www.vergaderwijzer.nl.

    • Atte Jongstra