Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, kocht een paar nieuwe schoenen. Hij ging niet naar de schoenwinkel op de dijk, maar hij bestelde de baas van de schoenwinkel thuis. Dat was een gewoonte in ons dorp. De baas heette Bik. Heer Bik zei iedereen. Mijn moeder zei toen ze de schoenen van mijn vader poetste: ,,Kijk eens, helemaal versleten, Bik moet komen.'' Wij moesten het gaan zeggen. Bruine schoenen met veters. Die hij altijd had. Binnen een dag was Bik er. Hij kwam op zijn brommer, twee dozen in de fietstassen en vier met een touw achterop de bagagedrager gebonden.

Mijn vader zag Bik niet zo zitten. Hij vond hem slijmerig en onderdanig. Mijn vader trok zuchtend zijn oude schoenen uit en legde zijn voeten op de aangeboden knieën van Bik. ,,Niet kietelen'', zei m'n vader. Heer Bik werd rood als een kroot.

Mijn vader had zijn eigen manier om een veter te strikken. Hij maakte altijd een heel klein lusje en stak de rest van de veter in de schoen. ,,Deze past'', zei Bik zachtjes, ,,want de voeten groeien namelijk niet meer op deze leeftijd.'' Mijn vader keek hem verbijsterd aan. ,,Oh nee, Bikje'', zei m'n vader, ,,dan zal ik u wel eens iets laten zien.'' Hij liep naar de bijkeuken en haalde de oude bottines van oom Kobus te voorschijn, en deed net of ze van hem waren. Het waren kanjers van laarzen. ,,Mijn voeten groeien soms vijf centimeter per dag'', zei mijn vader tegen hem. ,,Vorige week nog, dan moet ik deze aan.'' De ogen van Bik stonden helemaal glazig.

,,Allemachtig, 't is een mirakel'', zei hij.