Jolink: tweede zandpad links

Voor Bennie Jolink van Normaal is er meer dan alleen `h⊘ken', blijkt uit een documentaire van Frank van den Engel.

Voor de biertent in het Noord-Hollandse dorp Schagen stond een zwart geschilderde vrachtwagen met een doodskop achterop en op de zijkant: KIEK UUT! Het was begin jaren tachtig, ik was in mijn brommerjaren en ging voor het eerst naar een concert van Normaal. De langharige, besnorde Gelderlanders maakten hun geduchte live-reputatie die avond volledig waar. Ze speelden eenvoudige, snoeiharde rock 'n' roll met de nodige humor en een goed feestgevoel. Op het podium liep een soort dorpsgek rond met een hooivork, die alles onder het hooi gooide. De blote boerendochters op crossmotoren, die wervend in de krant hadden gestaan, waren thuisgebleven.

De band had een ongelooflijk effect op de verzamelde dorpelingen, die binnen een paar minuten veranderden in een bende drijfnatte, hossende beesten met biggenroze bovenlijven. Ze smeten met bier. Velen droegen klompen, waarmee ze hun agressie afreageerden op mijn schenen. Waarschijnlijk roken ze dat ik uit de grote stad kwam. Ze riepen `H⊘ken! H⊘ken!', hetgeen Achterhoeks is voor op ruige wijze feestvieren. Het feest was primitief, maar ook opwindend en vrolijk; een rock `n' rollcarnaval.

Die eerste kennismaking speelde zich twintig jaar geleden af, maar getuige de documentaire Normaal – Ik kom altied terug verlopen Normaalconcerten nu nog precies hetzelfde. De film over de zanger en voorman van Normaal, Bennie Jolink, gaat volgende week in première op het documentairefestival IDFA in Amsterdam. Regisseur Frank van den Engel laat verhitte concertbeelden contrasteren met beelden van Jolink thuis, een rustige kunstschilder met gezondheidsproblemen die hem in zijn rock `n' roll-werk belemmeren.

Hermelijnen

Wanneer ik Bennie Jolink (55) opzoek in zijn Acherhoekse boerderij, moet ik me door een lastige routebeschrijving heen bijten: Hummelo uitrijden (welke kant van het dorp?); tweede zandpad links; T-splitsing links bij elektriciteitsmast; bospaadje, hek. Je kunt het niet missen. Dorpelingen wijzen me de weg door regen en duisternis. Jolink zit in De Hooiberg, een ronde, met riet bedekte schuur bij zijn huis waar de band doorgaans repeteert. Tegen de muur staan gitaren en gouden platen; de ijskast zit vol met bier. Jolink onderbreekt geregeld het gesprek om even naar buiten te verdwijnen: ,,ik mos piss'n.'' Gebonk tegen de rieten muur duidt volgens hem op twee vechtende hermelijnen.

Jolink over de documentaire: ,,Het was geen onverdeeld genoegen om een uur lang naar een close-up van mijn wangporiën te staren. Bovendien heeft Frank van den Engel me verleid om allerlei persoonlijke shit te vertellen. Moet dat nou, al die intieme zaken? Alsof iemand je vraagt: hoe vaak masturbeer je per dag? En ik had van tevoren nog zo tegen hem gezegd: `geen persoonlijke shit erin. Je mag me filmen hier in De Hooiberg, maar bij het hek staat mijn vrouw Elly met een grote mestvork, om ervoor te zorgen dat je uit mijn huis en mijn familieleven blijft.' Ik had die documentaire over André Hazes gezien, die twee jaar geleden op het IDFA draaide, en daar had ik helemaal geen zin in.

,,Maar na een tijdje filmen, belde Van den Engel op en zei: `Wat we hebben, is niet genoeg. Je zal toch het achterste van je tong moeten laten zien. Het zou mooi zijn als je een ballad had waarin je iets meer over jezelf vertelt.' Daarom heb ik 's nachts op de piano Ik kom altied weer terug geschreven. En later heeft hij een scène in mijn atelier geschoten, waarin ik vertel over mijn ongelukken, mijn astma, darmproblemen en mijn depressie.''

Toen Normaal in 1977 landelijk bekend werd met de hit Oerend hard, was er vrijwel geen rockzanger in Nederland die in zijn eigen taal zong, laat staan in streektaal. Nu zijn er popgroepen als Bl⊘f, De Kast, Twarres en Rowwen Hèze. Normaal was een pionier en heeft bijgedragen aan de heropleving van interesse in eigen streek en dialect.

Jolink: ,,We begonnen als ieder ander bandje gewoon in het Engels. Maar ik had ook teksten in het Achterhoeks liggen. Op een dag traden we op in Lochem. Ik zette een blues in. Maar in plaats van het gebruikelijke `Ooooh, my baby left me', zong ik: `Ik zat laatst te dritten op de plee'. `Dritten' is Achterhoeks voor schijten. Bij het horen van deze autobiografische constipatieblues veerde het publiek overeind. Hé, dit was wat anders. Die dag besloot ik: al het Engels gaat eruit, we zingen nog louter in het Achterhoeks.

In mijn eigen taal kan ik me veel krachtiger uitdrukken. Ik had op de kunstacademie in Arnhem geleerd: je moet staan voor wie je bent en voor wat je uitdraagt. Voor de westerlingen stond dialect gelijk aan dom. Mensen werden ontslagen omdat ze niet accentloos konden praten. Stadse dialecten als Haags of Amsterdams mochten wel, maar streektalen niet. Wij toonden aan dat het normaal is om in de taal te zingen waarin je denkt.''

Het zingen in dialect hoort ook bij Normaals boerenimago. In de tijd dat de boerenstand door veel stedelingen als een achterhaalde, terecht gedecimeerde beroepsgroep wordt gezien, neemt Normaal het op voor de boeren. Op de internetsite staat bijvoorbeeld een gironummer ten bate van de boeren die zijn getroffen door de mond-en-klauwzeer-epidemie.

Jolink: ,,Boer is een scheldwoord en wij maakten er een geuzennaam van. In het lied Ik bun moar een eenvoudige boerenlul, overigens gebaseerd op een citaat van Sjef van Oekel, zing ik: `Ik bun moar `n eenvoudige boer'nlul/ Maar daar schoam ik me niet veur/ Er zijn zo van die dingen/ Die heb ik heul goed deur'. Voor veel plattelanders was dat zeer herkenbaar. In de jaren tachtig kwam het politieke aspect erbij. De landbouw kwam in de problemen en het kon niemand een flikker schelen. Ik begon me daar steeds meer over op te winden. Ik schreef het lied De boer is troef en kreeg daar veel reacties op. Boeren worden ten onrechte uitgemaakt voor milieuterroristen. Het platteland wordt kapot gemaakt en minister Brinkhorst is ingehuurd om die klus te klaren. Die man kan niet eens het woord `boeren' uitspreken. `Bûûren', zegt hij.''

Vorige week zag ik voor de tweede maal in mijn leven een Normaalconcert, in de Stadsschouwburg in Haarlem. Effen zitten heet de theatertour die de groep momenteel onderneemt. Het was een merkwaardige ervaring om Normaal in deze bourgeois omgeving te zien; `ver van huus', zoals Jolink zei. De bandleden zaten op stoelen. De elektrische rock was vervangen door akoestische countryfolk, blues en western swing, door Jolink `H⊘ken swing' genoemd. De paar oude hits die ze speelden, als Mamma, woar is mien pils en Hiekikkowokan, waren flink bewerkt. Oerend hard was veranderd in Oerend zacht. Wellicht geïntimideerd door het rode pluche zaten de fans gemoedelijk maar wat ontheemd op stoeltjes. Ze mochten geen bier meenemen in de zaal. Treiterig stak Jolink zijn Grolschflesje in de lucht en vroeg aan het publiek: ,,Drôge bek, zeker?''

Zweep

Waarom speelt het ruige Normaal een nette theatertournee? Jolink: ,,We spelen hier in De Hooiberg altijd akoestisch en zo wilden we ook eens optreden. We wilden de lat hoger leggen, dit is muzikaal veel moeilijker voor ons, en er wordt aandachtiger geluisterd. In een feesttent moet ik met de zweep die zesduizend dronken mannen mennen, ik kan alleen maar met ze communiceren in geschreeuwde spierballentaal. Bovendien lopen ze steeds weg naar de bar. Maar het is niet zo dat we nu alleen nog maar in theaters staan. Van de zomer spelen we gewoon weer in de biertenten. Het is net als in de sport: zomers is het motorcross en 's winters is het schaatsen.''

In de openingsscène van de documentaire is een optreden in een feesttent te zien. Jolink stuitert over het podium, maar in de coulissen blijft hij bijna in een astmatische aanval steken. Is zijn gezondheid ook een reden voor de overstap naar het rustiger theaterwerk?

Jolink: ,,Inderdaad. Als ik eenmaal in de zaal ben, gaat het wel goed, maar het opladen en omschakelen gaat steeds moeilijker. Ik ben vaak doodziek en toch moet ik die prestatie leveren. Daar komt een grote vracht chemicaliën aan te pas. Ik slik minstens evenveel als Herman Brood, al krijg ik het gewoon van de huisarts. Maar het is beslist niet zo dat ik een hekel heb aan die grote optredens, ik ben verslaafd aan het spelen, het drinken en die hitte, ik voel me pas goed als het zweet er uit spuit. Ik vind h⊘ken nog altijd net zo mooi als neuken of motorcrossen. Je moet het alleen niet eeuwig vaak herhalen.

,,En die beginscène van de film moet je niet zo serieus nemen. Je moet het zien als topsport. Iedere sportman zal erkennen: als je aan de finish komt zonder helemaal kapot te zijn – zoals ik in die scène – moet je je doodschamen. Je moet alles geven, alles moet eruit.''

`Normaal – ik kom altied weer terug' van 25 t/m 30 nov. op het IDFA in Amsterdam en Nijmegen. Inl. 020-6261939 of www.idfa.nl. Vanaf 6 dec. in tien bioscopen.

Titel kop pagina: International Documentary Filmfestival Amsterdam 2001

    • Wilfred Takken