Hossen in het museum

De Amsterdamse musea zijn reuze trots. Voor de tweede keer hebben ze het afgelopen weekeinde veel jonge mensen over de vloer gehaald in de Museumnacht. Oei, het waren er wel 22.000. Op de televisie was goed te zien hoe er gehost en gehopst, gefeest en gebeest werd, pal voor De Nachtwacht en onder het toeziend oog van een 17de-eeuwse regentenfamilie, zo fabelachtig geschilderd dat ze even op toeschouwers leken, verbijsterd over de tijd waarin ze terecht gekomen waren.

Met performers, bandjes, deejay's, stand-up comedians en wat dies meer zij willen de musea, veelal bezocht door mensen van middelbare leeftijd, jongere generaties naar binnen lokken. Want die willen heisa en dynamiek, en vooral geen stilte en statische beelden. Het NOS-journaal liet dan ook zien dat er nauwelijks gekeken, maar vooral gedanst werd. Alsof er in den lande een schrijnend gebrek heerst aan disco's met house, hip-hop, techno en `lounge-facilities'.

Zo'n museale p.r.-stunt is om verschillende redenen begrijpelijk. Sinds de pseudo-verzelfstandiging van de zwaar gesubsidieerde musea mogen die musea zelf beschikken over hun inkomsten uit toegangsgelden en afgaande op de geringe belangstelling van jongeren heeft de toekomst weinig kassageld in petto. Het succes van menige tentoonstelling wordt tegenwoordig ook nauwelijks meer afgemeten aan inhoudelijke kwaliteit en inzichtelijke presentatie, maar aan de amusementswaarde en het aantal bezoekers dat men onder meer of minder valse reclame-voorwendselen naar binnen weet te halen.

Menig museum lijkt in die nu nog florissante vrijetijds-economie het spoor enigszins bijster te raken. Zo dringt een aantal van hen ineens aan op het afschaffen van de Museumjaarkaart, die gratis toegang of korting geeft. Een voornemen dat haaks staat op dat fervente bereik van jongeren (en ook ouderen), zou je vermoeden, maar dat ongetwijfeld de eigen inkomsten opstuwt. En het marketing gericht denken, waar de overheid maar op blijft aandringen, heeft de afgelopen jaren ook nog eens geleid tot steeds hogere toegangsgelden.

Een museum is nooit een vetpot geweest en zal dat ook nooit worden. Daarvoor is de exploitatie te kostbaar. Zo een museum al drukbevolkt moet zijn, zou er niet één gratis dag moeten worden ingelast, zoals staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg vorige maand bepleitte, maar alle dagen gratis toegang, net als in de zo prettig bedrijvige National Gallery in Londen.

De museumbezoeker (en belastingbetaler) die zich welkom weet en vertrouwd raakt met `zijn' of `haar' museum, zal dan ook bereid zijn voor uitzonderlijke tentoonstellingen een fiks toegangsbedrag te betalen. Men wordt misschien zelfs wel lid van de museum-vriendenclub. En die jongere? Ach, die beseft dan wel dankzij de ontstane laagdrempeligheid – en eenmaal in rustiger vaarwater aangekomen – dat een museum een plek is om je even te bezinnen, om mooie dingen te zien, om een – lekker – broodje te eten of een boek te kopen. Dat feesten doen ze elders wel. En dat is wel net zo prettig voor het craquelé van die drie eeuwen oude regentenfamilie.

    • Marianne Vermeijden