Geen recht op apathie

Hoe moet het verder met de multiculturele samenleving? Ed van Thijn oppert daarover meer uitgesproken ideeën dan zijn beschouwende PvdA-collega Jacques Wallage. D66-Kamerlid Boris Dittrich beschrijft in nuttig stukwerk het Binnenhof.

Ze hebben veel gemeen, Ed van Thijn en Jacques Wallage. Ze zijn beiden lid van de PvdA. Ze zijn beiden fractieleider in de Tweede Kamer geweest. Van Thijn, tegenwoordig hoogleraar en Eerste-Kamerlid, was minister (Binnenlandse Zaken) en burgemeester (Amsterdam). Wallage was staatssecretaris (Onderwijs en Sociale Zaken) en is nu als burgemeester `thuisgekomen' in Groningen, de stad waar hij studeerde en als politicus in een destijds roerige lokale linkerflank van de PvdA begon. Maar wat de uit de frontlijn verdwenen heren wellicht het meest bindt, is hun betrokkenheid bij het minderhedenvraagstuk.

Ze spreken en schrijven er al vele jaren over. Soms heel gepassioneerd, zoals Wallage een paar jaar geleden in de Tweede Kamer bij een harde aanvaring met zijn toenmalige VVD-collega Bolkestein. Of zoals Van Thijn, toen hij in de hevige discussie over de uiteindelijk uitgewezen Turks-Amsterdamse kleermaker Gümüs zijn lidmaatschap van de PvdA dreigde op te zeggen. En, zelf lid van een Europese antiracismecommissie, heel razend werd toen minister Van Aartsen de opening van een EU-waarnemingscentrum tegen het racisme bezocht in Wenen, waar net een regeringscoalitie met de rechts-radicale partij van Haider was gevormd.

Maar vaak ook zijn zij bedachtzaam, Wallage af en toe zelfs wijs en literair-reflectief in zijn korte persoonlijke schetsen, zoals blijkt uit hun nagenoeg gelijktijdig verschenen gebundelde redevoeringen en opstellen van de afgelopen jaren over thema's als het asiel- en vluchtelingenbeleid, de integratie van immigranten en de multiculturele samenleving die zij beiden voorstaan.

Van Thijn is daarin, dat is geen nieuws, het meest uitgesproken. Dat blijkt nog eens uit het eerste en interessantste deel van zijn bundel, `Normen en waarden', dat begint met zijn oratie uit 1997, waarmee hij in Leiden het bijzonder hoogleraarschap op de Cleveringa-leerstoel aanvaardde. Daarin, en in volgende hoofdstukken, schetst hij vier scenario's.

Als eerste dat van de feitelijke segregatie, zoals hij die ziet in Amerika tussen blank en zwart, en die niemand in Europa wenst. Al zijn, waarschuwt hij, in Nederland in de Rotterdamse wijk Spangen en in sommige Haagse wijken intussen al ontwikkelingen in die richting te zien. Wallage is trouwens aanmerkelijk positiever dan Van Thijn over de VS als immigratieland waar Italiaanse en Ierse katholieken en Poolse joden hun culturele roots blijven koesteren, al willen zij ook nadrukkelijk Amerikaan zijn. Gezegd moet worden dat Wallage hier niet over de zwarte Amerikaanse bevolking spreekt, en dat maakt wat uit.

Als tweede model noemt Van Thijn dat van de `smeltkroes', dat voorziet in een zo volledig mogelijke integratie en assimilatie van minderheden. Ook die wijst hij af, onder meer omdat dit `neoliberale' idee te veel voorbijgaat aan de sociaal-culturele component en daardoor zijns inziens generaties lang te weinig werkelijke veranderingen te zien zal geven in de achterstand van leden van minderheidsgroepen. Het op zichzelf `sympathieke' regenboogscenario, waarin de eigen sociaal-culturele identiteit van minderheden als hulpmiddel voor emancipatie wordt beschouwd en waarvoor in het CDA wel wordt gepleit, acht Van Thijn evenmin wenselijk. Want daarin dreigt de samenleving de optelsom van subculturen te worden `waarin wij vreemden voor elkaar blijven'.

Van Thijn ziet het interculturele of `mozaïek-scenario' als superieur. Dat gaat uit van een samenleving, waarin, naast `kernwaarden als mensenrechten', `verschillende culturen interactief met elkaar omgaan' en `de wisselwerking tussen individuele en collectieve rechten en plichten het uitgangspunt is'. Daarin moet `een dialoog op gang komen', `een gemeenschappelijke speurtocht naar gemeenschappelijke waarden en normen die de multiculturele samenleving tot méér maken dan een optelsom van verschillende culturen'.

Voor dat alles is tolerantie jegens minderheden op zichzelf niet genoeg, zeker niet als die de waarde van een onverplichtende permissiveness heeft, want dat leidt makkelijk tot onverschilligheid. Aan dit ideale model moet actief worden gewerkt door politici `met een hoog ethisch profiel', aldus Van Thijn, die `desnoods bereid moeten zijn tegen de electorale stroom op te roeien' en die `moreel leiderschap' moeten tonen bij de verdediging van kernwaarden als mensenrechten en strijd tegen discriminatie. Ook elders in de samenleving dient een `morele elite' actief te zijn. Daar waar beleid moet worden uitgevoerd, dienen zogenoemde `poortwachters' op hun strategische plaatsen (als directeur, rector, personeelschef etc.) een bijdrage te leveren. Want aan geïndividualiseerde `staatsverlaters', alleen gericht op hun eigen gemak en vrijheden, langzamerhand een fikse groep toch, heeft zo'n samenleving niets. Er bestaat geen fundamenteel recht op apathie, heet het. Tussenvraag: zouden al die staatsverlaters en potentiële poortwachters zich voldoende aangesproken voelen door zo'n moreel appèl? Er is ruimte voor twijfel.

Aanpassing

In dat verband is zowel Wallage als Van Thijn niet meer zò te spreken over de vruchten van de individualisering van de afgelopen kwart eeuw, al zaten zij er als het ware steeds bij. Volgens Wallage komen de nadelen van `doorgeschoten individualisering geleidelijk pijnlijk aan het licht'. In de openbare ruimte is het te vaak `ieder voor zich' en is een `collectief gedragen normbesef' vaak verdwenen, schrijft hij.

Iemand als Van Thijn is het natuurlijk niet ontgaan dat het gezag en het prestige van regering en parlement, van `de politiek', in veel West-Europese landen in de afgelopen kwart eeuw flink zijn afgenomen. Evenmin is hem onbekend dat de bereidheid om vreemdelingen op te nemen nu gemiddeld in West-Europa tot onder de vijftig procent is gedaald. Je leest zijn pleidooi voor de interactieve multiculturele samenleving, wat je er ook van vindt, alleen om die redenen al met enige scepsis. Dat wordt wel iets minder bij de argumenten die Wallage noemt voor een multicultureel Nederland. Namelijk dat ons land zich in zijn geschiedenis als tolerante natie jegens vreemdelingen cultureel wist te verrijken en aan hen gedeeltelijk zijn huidige identiteit dankt.

Wallage besluit een hoofdstukje `Minderheden tussen aanpassing en emancipatie' als volgt: `Integratie is iets anders dan aanpassing. Je integreert in een groter geheel. Je brengt iets mee, je bent iemand. Er is niet zoiets als een statische Nederlandse cultuur, waaraan men zich moet aanpassen onder het opgeven van de eigen identiteit. Er is een permanente wisselwerking tussen culturen, religies en oorden van herkomst. [...] We moeten onze verhouding tot migranten zien als een onderdeel van de dynamiek die Nederland heet. De multiculturele samenleving is geen abstract ideaal, maar de logische consequentie van onze hang naar vrijheid.'

Anders gezegd, het interactief culturele model zou ook een nationaal belang kunnen dienen, en dan wil de Nederlander vaak wel een tweede keer nadenken. Maar er moet toch, denk je, wel heel erg moedig en ook heel krachtig door de politieke en bestuurlijke elites tegen de stroom op worden geroeid, wil Van Thijns model kans van slagen krijgen. In de cao voor politici is zulk roeien in elk geval niet geregeld.

Philip Roth

Van Thijn en Wallage bieden in hun bundels méér dan hun opvattingen over de multiculturele samenleving en aanverwante kwesties. Van Thijn, die graag wat meer politieke strijd zou zien dan ten tijde van `paars' gebruikelijk is geraakt, houdt bijvoorbeeld een mooi pleidooi voor een sterkere oppositie. Hij is daarbij zo fair niet alleen op tekorten van het CDA te wijzen, maar ook op de consensus-democratie en de regie van premier Kok in de beslotenheid van Thorbeckes `Torentje'. De oppositie is er om elke dag te proberen het kabinet ten val te brengen. Het was zo gezien een paar maanden geleden verbazingwekkend dat men in de regeringscoalitie het CDA bijna onbehoorlijk gedrag verweet toen het in het debat over de ramp in Enschede minister De Grave ten val probeerde te krijgen, vindt hij.

Wallage, zelf geboren in 1946, kiest zijn joodse identiteit als uitgangspunt voor enkele goedgelukte stukjes over veranderende noties sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hij serveert er af en toe betekenisvolle introducties bij, zoals deze (bij: `De schaduw van de oorlog'): `Mijn tante Ruth droeg tijdens haar werk een blouse met korte mouwen. Twee jongens zagen het nummer. Eén zei: `Ik weet wat dat is: het is vast uw gironummer'.' Of deze (bij: `De toekomst van het jodendom'): `Philip Roth vertelt het verhaal van de jood die met zijn gebochelde vriend langs een synagoge loopt. `Kijk', zegt de jood, `dat is de sjoel waar ik vroeger heen ging, vroeger was ik namelijk joods'. `Ja', zegt zijn gebochelde vriend, `en vroeger had ik een bochel.'

Een aardig boek om beide benen weer snel op de grond te krijgen is dat van Boris Dittrich, sinds 1994 lid van de Tweede-Kamerfractie van D66. Zijn verslag over zeven jaar werken in de Kamer handelt vooral over de praktische dingen die hij als woordvoerder justitie-, minderheden- en vreemdelingenbeleid kon doen. Daarbij ontstaat een helder beeld van de werkwijze, de procedures en de informele mechanismen die het Binnenhof kent.

Dittrich is geen hemelbestormer. Hij biedt geen grote lijnen, maar nuttig stukwerk over wat hij kon doen voor Nederlanders in Marokkaanse gevangenissen of Turkse verdachten in gevecht met de justitiële bureaucratie in Nederland. En verder over het taaie, her en der in coalitiekring flink tegengewerkte gevecht om het wettelijk huwelijk van homoseksuele paren mogelijk te maken.

Ook Dittrichs boek bevat een grap, al is die onopzettelijk. Hij is algemeen erkend als leider van het klassement der publiciteitsbeluste Kamerleden. Zodoende mag de lezer even in de lach schieten wanneer hij, schrijvend over de presentatiewedstrijd die D66 verwacht van haar Kamerkandidaten, in een kritische terugblik op een partijbijeenkomst uit 1994 meldt: `Met tegenstrijdige gevoelens hield ik mijn concurrenten in de gaten. Het was een mengeling van jaloezie en gêne. Dit onverbloemd etaleren van eigen talenten paste niet bij mij, maar moest ik mezelf niet ook op de een of andere manier in de kijker spelen?' Nu, dat kwam ruim in orde, mede daaraan danken we zijn boek.

Ed van Thijn: Publieke Zaken. Meulenhoff, 342 blz. ƒ42,97 Jacques Wallage: Thuis en ontheemd. Prometheus, 112 blz. ƒ31,95 Boris O. Dittrich: Een blauwe stoel in paars. Verhalen uit de Tweede Kamer. Van Gennep, 344 blz. ƒ55,– (geb), ƒ39,90 (pbk)