Eminente mislukking

In 1922 dook in Maastricht de bibliofiele uitgeverij Trajectum ad Mosam op. Achter deze naam verschool zich de jonge drukkerszoon A.A.M. Stols (1900-1973). Hij zou onder dit imprint tot 1930 dertig uitgaafjes publiceren: klassieke en contemporaine Nederlandstalige teksten, maar ook een aantal Franse teksten. Al in het eerste decennium van het bestaan van zijn uitgeverij slaagde Stols erin de belangrijkste uitgever van oorspronkelijk Nederlandse poëzie te worden. Stols gaf nog een aantal bibliofiele reeksen uit, zoals de Halcyon-reeks, maar het was zijn ambitie een echte uitgever te worden, met een fonds dat zichzelf financieel kon bedruipen. Dat is hem gedurende zijn hele carrière slecht afgegaan. J. Greshoff heeft ooit van Stols gezegd dat hij een uitstekend fondsredacteur was, maar in financieel opzicht een wanhoop. Paradoxaal genoeg heeft juist deze combinatie Stols tot een belangrijk uitgever gemaakt, die de literatuur-geschiedenis van het interbellum mee heeft vormgegeven. Maar het zwaartepunt van Stols' fonds werd in de jaren dertig verlegd van bibliofielie naar meer commercieel getinte uitgaven. Bij de opbouw van zijn fonds had Stols belangrijke adviseurs als de schrijvers Greshoff, E. du Perron en Ed. Hoornik.

Over Stols en zijn fonds is al veel gepubliceerd. Er is een aanzet tot een biografie, er zijn brievenuitgaven met Greshoff, Du Perron en Hoornik, en er zijn tal van artikelen waarin verschillende aspecten van Stols' uitgeverij worden onderzocht. Je moet dus van goede huize komen wil je hieraan iets toevoegen. Nanske Wilholts Voor alles artiste prentendeert dit nadrukkelijk. Ze voegt echter weinig toe aan hetgeen eerder over Stols is gepubliceerd. Evenmin maakt ze haar ambitie waar een synthese van de rol en betekenis van Stols voor het literaire leven en voor de ontwikkeling van de boekverzorging tijdens het interbellum te geven. Ze beperkt zich tot de bestudering van enerzijds het Franse fonds van Stols in de periode 1924-1934 en anderzijds het Nederlandstalige poëziefonds in de periode tot 1942. Kan het Franse fonds nog bibliofiel worden genoemd, het poëziefonds zeker niet. Bovendien worden de selectiecriteria van Stols bij de vorming van zijn poëziefonds nauwelijks helder gemaakt, en richt Wilholt zich vooral op de rol van de al zo veel bestudeerde bemiddelaars Greshoff, Du Perron en Hoornik. Maar je zou graag willen lezen welke keuzes Stols nu precies zelf maakte, en op welke gronden? Ook de bredere culturele context die Wilholts onderzoek zou onderscheiden van eerder uitgeverijonderzoek, zoek je tevergeefs in haar boek. Dat geldt zowel voor het poëziefonds – waar bijvoorbeeld een vergelijking met Van Dishoeck of Querido node wordt gemist – als voor het Franse fonds. Bij dit laatste zou heel goed een vergelijking met Stols' stadgenoot Charles Nypels hebben kunnen plaatsvinden. Deze had immers aanzienlijk meer succes in Frankrijk dan Stols, wellicht omdat hij beter aansloot bij de in Frankrijk vigerende typografische mode. In een boek waarin Stols' fonds toch vooral als bibliofiele prestatie wordt gezien (`voor alles artiste') mag ook een analyse van het lettermateriaal, het papier, het bindwerk, de illustraties en dergelijke van Stols' uitgaven niet ontbreken. Als Wilholt zich bijvoorbeeld op de Halcyon-reeks had geconcentreerd (met haar vertakkingen in Frankrijk, Engeland en Duitsland), had zij Stols' bibliofiele uitgaven kunnen vergelijken met buitenlandse persen als bijvoorbeeld de Golden Cockerell Press om zo Stols' verdiensten als bibliofiel uitgever in een juist perspectief te plaatsen. Wilholts boek is daarom in mijn ogen helaas een gemiste kans.

Nanske Wilholt: Voor alles artiste. Uitgever Stols en het literaire leven in het Interbellum. Walburg Pers, 224 blz. ƒ70,40