Een bom in zijn binnenzak

De mooiste romans blijven toch die waarbij de schrijver zijn hoofdpersonage op vakkundige en gepassioneerde wijze sloopt, totdat enkel een wrak resteert. Je zou het de omgekeerde Bildungsroman kunnen noemen: de volwassen held wordt een blinddoek omgedaan en vervolgens net zolang dolgedraaid tot hij een krijsende kleuter is. Het is het soort boeken dat Doeschka Meijsing onlangs in deze krant (in navolging van Walter Benjamin) `een geschenk' noemde `dat de mensen zo raakt, dat ze ervan schrikken'. Romans die niet alleen de belevingswereld van de protagonist aan het wankelen brengen maar ook die van de lezer; romans die zowel gemoed als verstand ontwrichten, zelfs dagenlang nadat je de laatste bladzijde hebt omgeslagen.

Een dergelijke roman is de afgelopen vijftien jaar niet meer geschreven in Italië. 1986 was voor mij het laatste jaar waarin ik door hedendaagse Italiaanse literatuur onherroepelijk bij de strot werd gegrepen. Toen verschenen de enigmatische antidetectiveroman De lijn van de horizon van Antonio Tabucchi en het in Nederland onvertaald gebleven Il diario di un millennio che fugge van de jonge Marco Lodoli. Daarna ruim anderhalf decennium niets verpletterends meer, niets van het kaliber van een Tim Parks, een Javier Marías, een Michel Houellebecq.

En dan is daar nu ineens In de ban van mijn vader van Sandro Veronesi (1959), een generatie- en stadgenoot van genoemde Lodoli, in 1988 debuterend met de roman Per dove parte questo treno allegro en inmiddels een gevestigd auteur in eigen land.

In die debuutroman komen thema's aan bod die ook in Veronesi's laatste boek een kardinale rol vervullen: het onwerkelijke van de werkelijkheid, de kunst van het observeren, onschuld en illusies die verpulverd raken, de (moeizame) verhouding tussen een vader en een zoon. Maar In de ban van mijn vader (een al te beperkt alternatief voor de Italiaanse titel La forza del passato, `de kracht van het verleden') is veel beklemmender en toont Veronesi in de kracht van zijn jaren: hij weet feilloos hoe hij het wurgkoord rond de keel van zijn held moet aantrekken – dusdanig dat je als lezer ook naar adem gaat happen.

Kinderboekenschrijver Gianni Orzan keert terug naar huis en haard nadat hij een prijs in ontvangst heeft genomen. Hij voelt zich nog een beetje terneergeslagen omdat zijn vader twee weken eerder is gestorven, maar niettemin acht hij zichzelf een man uit één stuk: gelukkig getrouwd, in het bezit van een gezonde zoon, een formidabel geheugen en een onwankelbaar gemoed. Hij weet het zeker: zijn leven is `doorzichtig, smetteloos en eerlijk' en thuis wacht hem `een prachtige wereld waar oorzaak en gevolg volstrekt duidelijk en redelijk zijn'. Maar ineens is daar die geheimzinnige snorder die zich aan hem opdringt. In diens (gestolen?) wagen gezeten ontdekt Orzan tot zijn verbijstering dat de man een pistool draagt en dat hij uiterst persoonlijke informatie weet over zoontje Francesco. Bij de eerste de beste gelegenheid verlaat hij geschrokken het voertuig. Thuis gekomen besluit hij in samenspraak met zijn echtgenote tijdelijk de wijk te nemen naar zijn schoonouders in Viareggio om zo de bedreiging het hoofd te bieden en tot rust te komen. Na een paar dagen keert hij alleen terug naar zijn huis in Rome, vastbesloten de monsterlijke man tegemoet te treden. Die laat niet lang op zich wachten. Glimlachend dient hij zich aan, met `de primitieve uitdagendheid van een straatschoffie', met een dikke pens en de onderarmen van een worstelaar, maar ook met een warme, innemende stem. Wat hij te melden heeft is nog verwarrender dan zijn uiterlijk: hij noemt zichzelf de beste vriend van Gianni's vader en die vader was volgens hem niet de christen-democratische, hypocriete generaal voor wie zijn zoon hem een leven lang heeft gehouden, maar een Russische spion in dienst van de KGB die vijftig jaar lang undercover is gebleven.

Prooi

Ongeloof en ergernis kenmerken de eerste reacties van Gianni Orzan. Maar zijn tegenspeler, die zichzelf nu eens voor Gianni Bogliasco dan weer voor Gianni Costante uitgeeft, laat niet af; als een geduldig roofdier blijft hij rond zijn prooi draaien en zijn retorische strategie is die van een schaakspeler: opening, uitweiding, dan twee dodelijke aanvallen. Voormalige aspirant-schaakmeester Orzan heeft geen verweer tegen dit wandelende en pratende oxymoron, `jong en oud, boerenpummel en ontwikkeld man, dreigend en minzaam, uiterlijk van een zware jongen en stem van een acteur'. Allengs ziet hij zijn bange vermoeden bevestigd dat deze ongrijpbare kerel hem in de houdgreep heeft en hem dwingt `om de dingen vanuit een krankzinnige optiek te zien waarin elk moment van je verleden niets anders wordt dan een onderdeel van een minutieuze dekmantel.'

Angstvallig klampt hij zich vast aan het traditionele beeld van zijn vader om `de geruststellende, met moeite veroverde illusie dat je wist wat je van het leven kon verwachten' te conserveren en niet meegesleurd te worden naar `dat beslissende punt waarop alles voorgoed onzeker wordt'. Volstrekt vergeefs. Zelfs als Bogliasco niet lijfelijk aanwezig is, ondermijnt hij de wilskracht en zielenrust van Gianni. Nadat hij (opzettelijk?) zijn pakje sigaretten heeft laten liggen in het appartement van Gianni, kan deze het verlangen niet onderdrukken een saffie op te steken, hoewel hij dacht definitief met roken te zijn gestopt.

Onherroepelijk, een voor een, draait de elegant-hufterige, angstaanjagend glimlachende Bogliasco de schroeven los van het frame dat Gianni's leven bij elkaar houdt. Voor de gevierde kinderboekenschrijver begint `een lange weg terug, op de tast, naar de verwarring waar je begonnen was'. Niet alleen het portret van zijn vader blijkt geretoucheerd te zijn, ook het beeld dat Gianni van zijn vrouw heeft berust op een vervalsing. Na zijn echtgenote in Viareggio te hebben achterlaten en terug in Rome, ontdekt hij op gegeven moment een envelop in zijn colbertje. Dagenlang heeft hij hiermee rondgelopen zonder te weten dat de envelop een brief bevat waarin staat dat zijn vrouw hem heeft bedrogen. Dagenlang heeft hij deze tijdbom veronachtzaamd en al die tijd meende hij rond te lopen met een gepantserde identiteit terwijl hij in feite volledig uitgekleed, in zijn blote kont de wereld doorkruiste.

Zijn leven is een leugen en die waarheid heeft hij nooit onder ogen willen zien. Zijn vader is niet degene geweest die hij leek te zijn, zijn vrouw evenmin en hijzelf ziet uiteindelijk in dat hij `de man was die geloofde het leven te kunnen leren van de film' om zo de werkelijkheid op afstand te houden, de man die in dezelfde sprookjes wilde geloven die hij als schrijver aan zijn jonge publiek opdiende. Wrang genoeg blijkt ten slotte uitgerekend de persoon die alle schijn tegen heeft de meest waarachtige mens in Gianni's omgeving: Bogliasco, de vent met het onbetrouwbare uiterlijk, ontfermt zich, als de zorgzame vader die Gianni nooit heeft gehad, over het zielige hoopje mens waartoe Gianni geestelijk en lichamelijk (na een ongeluk met zijn scooter) is gereduceerd.

Cinefiel

In In de ban van mijn vader speelt Sandro Veronesi een dodelijk spelletje `ik-zie-ik-zie-wat-jij-niet-ziet' met zijn hoofdpersonage, een geoefend observator en hartstochtelijk cinefiel. Tijdens dat spel blijkt alles inwisselbaar te zijn en elke identiteit niet meer dan een rouletteballetje. Op het eind ervan moet Gianni Orzan zijn positie in de wereld herdefiniëren, maar misschien is het enige wat hem nog rest de ogen opnieuw te sluiten en te doen alsof hij niets gezien heeft, te doen als een kind dat de handen voor zijn ogen houdt om zichzelf zo weg te toveren.

De manier waarop Veronesi dit bloedstollende spel speelt is ronduit meesterlijk. Aan het begin van het verhaal is de stijl vlak, de verteltoon opvallend klinisch, afstandelijk. Maar naarmate het gedrag van de hoofdpersoon (tevens verteller) stuurlozer wordt, manifesteert het taalgebruik een grotere driestheid en betrokkenheid en wordt het ritme nerveuzer, met als hoogtepunt het interpunctieloze hoofdstuk dat volgt op de ontdekking door Gianni van de brief waarin zijn vrouw hem toevertrouwt een buitenechtelijke relatie te hebben gehad.

Bovendien is In de ban van mijn vader briljant geconstrueerd, het verhaal zit vol sluw verborgen anticipaties en geraffineerd aangebrachte schakels. Daarnaast kan de lezer zich laven aan tal van sprankelende subverhaaltjes en narratieve zijsprongen, bijvoorbeeld over obers die in je eten spugen, over waarom kinderen aan de telefoon hun aanvankelijke enthousiasme verliezen, over `de onverdraaglijke droefheid' van op luchthavens achtergelaten bagage, die maar blijft ronddraaien op de transportband, of het aan Svevo herinnerende relaas over de mechanismen die optreden als iemand met roken stopt.

Met zo'n rijkdom aan motieven en vormtechnische kunstgrepen ben je gaarne bereid de soms rare sprongen van de vertaler voor lief te nemen. Hij geeft een weesjongetje een `overgooier', een wulpse serveerster een `brutale borst' en de lucht een `irrationele metallic-blauwe kleur' (het Italiaans vermeldt illogico, wat hier het best met `onwezenlijk' kan worden vertaald). Niettemin herstelt hij zich na een tamelijk zwak begin. Het is alsof ook hij werd meegezogen door de orkaankracht van het verhaal en niets anders meer kon dan eer betuigen aan het meesterschap van Veronesi, die met In de ban van mijn vader inderdaad bewijst `de grootste schrijver van zijn generatie' te zijn, zoals de achterflap nu eens niet ten onrechte vermeldt.

Sandro Veronesi: In de ban van mijn vader. Uit het Italiaans vertaald door Rob Gerritsen. Bert Bakker, 256 blz. ƒ36,40