De zwarte dood

`Ontslaet ons van de Pest, van Oorlogh, Dieren-tijt [duurte] / Opdat wij mogen zijn van alle quat bevrijt.' Zo dichtte Van Godewijck in 1636. De pest heeft een onuitwisbare indruk gemaakt. Er is geen ziekte die op zoveel manieren in ons taalgebruik is ingeburgerd. Een bijnaam van de pest was `de zwarte dood', naar de kleur van de zweren en van de tong van een pestlijder.

Hoewel Europa al in 1347 kennis maakte met de pestbacil, duurde het tot 1894 voordat deze door de Fransman Yersin herkend en beschreven werd. De pestbacil veroorzaakte een uiterst besmettelijke infectieziekte, waaraan twee hoofdvormen onderscheiden kunnen worden: de longpest en de builenpest. De longpest wordt direct van mens op mens door hoesten overgebracht. Besmetting was ook mogelijk wanneer met speeksel bevuilde goederen aangeraakt werden. Longpest kende in nagenoeg alle gevallen een fatale afloop.

Bij de tweede vorm, de builenpest, komt de besmetting tot stand door een vlooienbeet. Op de plaats van de beet vormt zich een puistje, dat snel uitgroeit tot een zwarte zweer. Op de tweede of derde dag worden de lymfeklieren – meestal in de lies, maar soms ook in de oksel of nek – groter en neigden tot etteren. Na acht tot tien dagen kan de pest vanzelf verdwijnen, wat in 20 tot 40 procent van de gevallen gebeurt. Maar meestal sterft de pestlijder binnen enkele dagen een pijnlijke dood.

Dankzij nauwkeurige verhandelingen is veel bekend over de pestepidemieën die de Nederlandse gewesten teisterden. Zo schreef de Nijmeegse geneesheer IJsbrand van Diemerbroek naar aanleiding van de pestepidemie van 1635-1636 een traktaat waarin 120 patiënten worden beschreven. In `casus 107' beschreef hij het tragische lot van François Lankfort, `een sterk man' die bij het ontwaken een grote benauwdheid in de hartstreek voelde. Lankfort herkende dit als een pestsymptoom en nam terstond een goede dronk alsemwijn om de pest uit te zweten. Toen de benauwdheid na drie à vier uur zweten was verdwenen, kwam een gezwel in de linkerlies op – opnieuw een duidelijk pestsymptoom. Lankfort probeerde dit te doen rijpen door een met raapolie bestreken rodekoolblad op het gezwel te leggen. Toen de tweede dag geen verbetering optrad, liet Lankfort een chirurgijn komen. Deze paste een aderlating toe. Kort daarop begon de zieke te beven en viel hij flauw. De koorts steeg, hij braakte, had dorst en hoofdpijn, en het gezwel verdween – opnieuw een klassiek symptoom van de pest. De derde dag werd geneesheer Van Diemerbroek erbij gehaald. Deze constateerde hoge koorts, voelde een zwakke pols en zag dat de tong van de patiënt zwart was. De geneesheer stelde vast dat het te laat was en voorspelde dat Lankfort spoedig zou sterven, wat na enkele uren ook gebeurde.

De epidemie van 1635-1636 was een van de ergste. De stad Nijmegen, waar Van Diemerbroek werkzaam was, zat op dat moment door een samenloop van omstandigheden boordevol mensen. Naast de 6.000 inwoners waren er ruim 7.000 soldaten in de stad, waarbij nog eens 3.000 soldatenvrouwen en -kinderen kwamen. De 16.000 opeengepakte mensen waren een gemakkelijke prooi voor de pest toen deze, in het kielzog van de soldaten, de stad binnenkwam. Van 31 juli 1635 tot 1 augustus 1636 werden in Nijmegen ten minste 6.009 mensen begraven, `behalve die door verzuim der kosters zijn vergeeten'. Van Diemerbroek schreef dat de pest tussen eind april en eind oktober 1636 op haar hoogtepunt was en pas in februari 1637 door een onverwachte koudegolf werd gestuit.

Deze massale sterfte aan de pest is overigens wel uitzonderlijk. In het merendeel van de pestjaren – in het tijdvak 1450-1668 wordt onder 107 jaren voor één of meer plaatsen pest vermeld – maakte de pest anderhalf à tweemaal zoveel slachtoffers als de normale sterfte. Bij een ernstige uitbraak trad een vervier- tot verzesvoudiging van de sterfte op.

Daar de autoriteiten zich bewust waren van het grote risico dat de pest vormde, troffen zij allerlei maatregelen. Al in de oudste voorschriften werd gesproken van het isoleren van personen en huizen. De bewegingsvrijheid van pestlijders werd sterk aan banden gelegd. Als zij op straat kwamen, moesten zij aan een witte lap of stok herkenbaar zijn. Bezoek aan openbare gelegenheden, zoals kerken, kroegen en markten, werd beperkt of geheel verboden. Ook huisgenoten van zieken trof dit lot. Algemeen was het voorschrift om huizen waarin iemand aan de pest was overleden te markeren. Aanvankelijk gebeurde dit door een bos stro aan de deur te hangen. Later werd het stro vervangen door het aanbrengen van een `P' op het deurkozijn.

Al snel ontdekten de magistraten dat met het opnemen van de zieken in speciaal daartoe ingerichte `pesthuizen' de verspreiding van de pest beter een halt werd toegeroepen dan door isolering in hun eigen woning. De patiënt ging niet naar het pesthuis om te worden behandeld – hij werd beschouwd als een gevaar voor de samenleving, dat slechts door opsluiting kon worden bezworen.

Angst en onwetendheid gingen tijdens een pestuitbraak hand in hand, ook bij de geneeskundigen. IJsbrand van Diemerbroek toont in zijn beschreven casussen één ding onomstotelijk aan: de patiënt verwacht een behandeling en de medicus is bereid aan die wens te voldoen. In dat licht dienen de rituelen gezien te worden die tweemaal daags tijdens het bezoek werden herhaald: de koorts meten, de pols voelen, de tong bekijken, de kleur van het lichaam inspecteren, naar gezwellen tasten, de urine bezien, de uitwerpselen onderzoeken, de patiënt ondervragen, dan een diagnose stellen, vervolgens ten minste één, maar vaker verscheidene recepten in vaste of vloeibare vorm uitschrijven, een leefregel stellen, de zieke bezweren zich daaraan te houden en de omstanders op het hart drukken daarop toe te zien. Geheel in de geest van Hippocrates verricht de medicus deze handelingen, ook al weet hij dat ze geen enkele zin meer hebben.

L. Noordegraag en G. Valk, De Gave Gods. De pest in Holland vanaf de late Middeleeuwen (Amsterdam, 1988).

    • Cor van der Heijden