De verteller verdubbeld

Alain Robbe-Grillet, voorman van de `nouveaux romanciers', wordt in Frankrijk uitgebreid gefêteerd ter ere van zijn tachtigste verjaardag. In een nieuwe roman, zijn eerste in twintig jaar, bewijst hij nog altijd een meesterlijk auteur te zijn, die navolging vindt bij de jongere generatie.

Even leek het erop dat de bijna tachtigjarige avantgardist Alain Robbe-Grillet toch nog helemaal zou worden ingelijfd door de traditionele canon: zijn dit najaar verschenen roman La reprise maakte een goede kans op de prix Goncourt. Uiteindelijk ging de prijs naar een veel jonger en veel traditioneler verteller, Jean-Christophe Rufin.

Verbaasd zal Robbe-Grillet, die een omvangrijk oeuvre van romans, filmscripts, essays en korte verhalen op zijn naam heeft staan, niet geweest zijn. Als jurylid van de prix Médicis kent hij het klappen van de zweep en is hij vertrouwd met de intriges waarmee de toekenning van Franse literaire prijzen nu eenmaal gepaard gaan. Hoogstens zal hij grinnikend hebben teruggedacht aan die keer, in 1955, dat hem de prix de la Critique werd toegekend voor Le Voyeur, waarna de helft van de jury woedend voor de eer bedankte en voorgoed opstapte. Ook de ambitie miljonair te worden, een prettige bijkomstigheid van de Goncourt, zal Robbe-Grillet niet meer koesteren: hij woont afwisselend in een comfortabel appartement bij het Bois de Boulogne in Parijs en in een klein kasteel in Normandië. Kinderen heeft hij niet. Het kasteeltje dat hij, samen met zijn vrouw Catherine, bezit, is vermaakt aan de regio Basse-Normandie, die er na hun dood een museum in vestigt.

Toch heeft het iets hilarisch dat juist Robbe-Grillet, de theoreticus van de nouveau roman uit de jaren vijftig en zestig, die, kort gezegd, verantwoordelijk werd gehouden voor de dood van de roman, nu bijna een van de grootste romanprijzen in de wacht sleept. Dat de Franse roman niet dood is, wordt al een tijdje niet meer betwist. Dat degenen die de moordaanslag op de roman pleegden daar zelf het beste bewijs van zijn, bleek pas recent: deze herfst maakte Robbe-Grillet zijn comeback, twintig jaar na Djinn, zijn vorige, `echte' roman en Claude Simon, de enige andere nog schrijvende nouveau romancier, publiceerde onlangs Le tramway (zie Boeken, 2.11.01).

Behalve Michel Butor, Claude Simon en Robbe-Grillet zelf hebben de schrijvers die werden gerekend tot de nouveau romangroep – Nathalie Sarraute, Robert Pinget, Marguerite Duras en Samuel Beckett inmiddels het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld. Allemaal begonnen ze te schrijven in de jaren vijftig, een tijd die schreeuwde om vernieuwing: de film kreeg de Nouvelle Vague (Godard), het toneel het Nouveau Théâtre (Beckett, Ionesco) en ook de roman moest nouveau. Weg met het traditionele verhalen vertellen à la Balzac of Zola! Afgelopen met de plot, korte metten met het geloofwaardige personage, waar de lezer zich zo lekker mee kon identificeren! Onzin, die eenheid van plaats, tijd en handeling! Het hele concept van de roman werd op losse schroeven gezet. In navolging van schrijvers als Faulkner, Joyce en Kafka, werd in Frankrijk de literaire manier van kijken naar de wereld volledig op zijn kop gezet. Ook de wereld was immers chaotisch, onvoorspelbaar, onbegrijpelijk en irrationeel gebleken. Van het `oude' Europa was weinig meer over, niets was meer zeker en de ideologieën uit de eerste helft van de eeuw bleken maar wankele steunpilaren. Het existentialisme van Sartre sprak hen niet aan, net zo min als de terugkeer naar de klassieke vertelvorm van Giono, die volgens Robbe-Grillet neerkwam op `sclerose'. Het waren geen ideeën die de jonge auteurs bezig hielden, het was geen engagement dat zij zochten, geen politiek die zij bedreven ze concentreerden zich op het fundament van de literatuur: de taal.

Zo hield Nathalie Sarraute zich bezig met wat ze later `tropismes' zou noemen: nauwelijks waarneembare, onbewuste bewegingen van onze geest, die ten grondslag liggen aan onze gebaren, gevoelens en uitspraken. In plaats van deze gevoelens op een psychologische manier te benoemen, probeerde ze er nieuwe woorden voor te vinden, met een nieuwe betekenis. Claude Simon begon aan zijn nog steeds niet afgesloten romaneske zelfportret, vol beelden en zintuiglijke ervaringen, gevat in meanderende, lange zinnen, die zich niet onderwerpen aan grammaticale wetten of interpunctie. Robert Pinget, verwant met Beckett in zijn visie op de absurditeit van het bestaan, debuteerde in 1951 met een verhalenbundel (Entre Fantoine et Agapa) waarvoor hij willekeurig enkele woorden uit de Larousse pikte en daarmee, met behulp van beelden en dromen uit zijn onderbewustzijn, een verhaal smeedde. Les Gommes (1953), de debuutroman van Robbe-Grillet is het ontregelende verhaal van een inspecteur die een moord moet oplossen die in werkelijkheid nog niet heeft plaatsgevonden. Na een onverbiddelijke aaneenschakeling van vreemdsoortige gebeurtenissen pleegt de inspecteur zelf de moord en wordt dus zo de moordenaar naar wie hij op zoek was.

Het was de energieke en welbespraakte Robbe-Grillet oorspronkelijk landbouwkundige van beroep, gespecialiseerd in ziekten bij bananenbomen die de afzonderlijke auteurs bij elkaar bracht en hen gezamenlijk hun werk liet uitgeven bij uitgeverij Minuit. Ook schreef hij een theoretisch manifest, Pour un nouveau roman (1963), waarin hij ervoor pleitte de wereld te bezien zoals hij was, zonder duiding of coherentie. Die nieuwe literaire esthetiek, het `nieuwe realisme', verwierp iedere vorm van psychologie en trachtte de wereld geometrisch en zo neutraal mogelijk te beschrijven, zonder de subjectieve blik van een verteller, los van de auteur zelf. Dezelfde benadering legde hij aan de dag in de films die hij maakte, waaronder het beroemde L'année dernière à Marienbad (1961) en Trans-Europ-Express (1966).

In de jaren tachtig leek Robbe-Grillet zelf de bocht te nemen naar een wat toegankelijker, autobiografischer stijl. Hij publiceerde Romanesques, een trilogie, geïnspireerd op zijn familiegeschiedenis: `Ik heb nooit over iets anders dan over mijzelf geschreven', verklaarde de auteur destijds doodleuk, alsof hij nooit voor een neutrale, objectieve blik had gepleit. En weer leverde Robbe-Grillet een nieuwe theorie af: de `nouvelle autobiographie', die geen waarheid, geen betekenis of authenticiteit nastreeft, maar juist bestaat uit fragmenten, uit echte en verzonnen personages, uit gaten: `Een literaire tekst toont niet wat erin beschreven wordt, maar juist wat erin wordt verheimelijkt'.

Het is een uitspraak die bij uitstek opgaat voor La Reprise, de roman die Robbe-Grillet ruim een maand geleden publiceerde en die, mede ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag, aanleiding gaf voor festiviteiten en veel aandacht in de media. Tegelijk met La reprise verscheen Le voyageur, een verzameling van teksten, lezingen en interviews die Robbe-Grillet sinds 1947 gaf en die niet alleen een prachtig beeld geeft van de ontwikkeling van de nouveau roman, maar die ook een breder beeld schetst van de Franse literatuur in die periode. In een speciaal nummer van het tijdschrift Critique analyseren kenners thema's uit Robbe-Grillets werk en ook het Magazine littéraire wijdde een van zijn befaamde dossiers aan de oude meester.

La reprise alleen de titel al is, geheel volgens robbegrillesk recept, voor meer dan één uitleg vatbaar. Het `hernemen' van de nouveau roman, want daar is La reprise een meesterlijk voorbeeld van. Maar ook het hernemen van het hele oeuvre van Robbe-Grillet tot nu toe. Alle thema's, de meeste personages en zelfs enkele beschrijvingen zijn `hernomen' uit zijn voorafgaande werk. Herhaling is een andere betekenis van `reprise', net als `stoppen', zoals in het stoppen van gaten in sokken bijvoorbeeld. Maar het is ook de titel van een essay van Kierkegaard, waaruit het motto van het boek afkomstig is: `Herhaling en herinnering zijn eenzelfde beweging, maar in tegengestelde richtingen.' Al deze betekenissen zijn, in enigerlei vorm, van toepassing. La reprise is vooral een labyrintische roman, een roman als een rebus: een deel wordt je aangereikt, een deel kun je opzoeken en een deel moet je zelf verzinnen, maar of de slagzin die je na het oplossen van de rebus overhoudt, logisch is of betekenis heeft, is maar zeer de vraag.

Het boek opent met een ik-verteller die, in 1949, met de trein, vanuit Eisenach onderweg is naar Berlijn en door het raam de ene na de andere verwoeste stad aan zich voorbij ziet trekken. De man, Henri Robin, net als Robbe-Grillet in Brest geboren, is een spion met een onduidelijke opdracht. Tijdens een stop op een station verlaat hij even zijn zitplaats om deze, bij terugkeer, ingenomen te zien door zijn dubbelganger. Deze draagt geen snor, terwijl hij zichzelf, voor de gelegenheid, van een valse snor heeft voorzien. De ik-persoon slaat op de vlucht voor de lach van zijn dubbelganger: het is zijn eigen lach. De geheim agent krijgt in het opgedeelde Berlijn te maken met een sterfgeval, die eerst geen en later weer wel een moord blijkt te zijn, tweelingbroers die uit het niets opduiken, jonge prostituees die als twee druppels water op zijn moeder lijken en een opdrachtgever die wel binnensluipt maar slechts sporadisch opdrachten geeft. Ook de verteller wordt verdubbeld: in noten die steeds langer worden, corrigeert en betwist een tweede verteller het relaas van de eerste. La reprise zit vol met trompe-l'oeil en valse schijn. Beelden worden gemanipuleerd, dialogen hebben een dubbele bodem en spiegels reflecteren niet wat ze zouden moeten weerschijnen. De personages hebben vaak twee of meer namen en gaan om onduidelijke redenen ergens naar toe, om uiteindelijk weer terug te komen bij het punt van vertrek. Geen identiteit is eenduidig, geen gebeurtenis logisch verklaard. En toch blijf je doorlezen, wil je weten wie die schoen met de blauwe pailletten nu verloren heeft, en of die afgebroken hals van de kristallen karaf nu wel of niet het moordwapen is. Te weten kom je het nooit en alleen daarom al blijft het boek je nog dagen bezig houden.

La Reprise mag dan dit jaar niet in de prijzen zijn gevallen, een andere Minuit-auteur, Marie Ndiaye, deed dat wel. Haar zevende roman, Rosie Carpe, over een vrouw die van de wereld vervreemdt, werd bekroond met de prix Fémina. Twee jaar geleden vielen Jean Echenoz en Paul Oster, beiden uitgegeven door Minuit, in de prijzen. Ook Laurent Mauvignier en Hélène Lenoir, beiden uit de Minuit-stal, zijn auteurs om in de gaten te houden. Het lijkt erop dat uitgeverij Minuit er weer in geslaagd is een groep schrijvers bij elkaar te brengen, die op het eerste oog wellicht als los zand aan elkaar hangt, maar zich toch in het kielzog van de nouveau roman bevindt: de `nouveaux nouveaux romanciers'. Je m'en vais (`Ik ga weg') van Echenoz bijvoorbeeld, blijkt bij nadere beschouwing erg schatplichtig aan Robbe-Grillet: de personages dwalen rusteloos door de stad, dragen dezelfde namen en krijgen geen eigen karakter. Het verhaal bijt in zijn eigen staart en wordt cirkelvormig, net als bij Robbe-Grillet soms het geval is. Naar een conventioneel plot blijft het gissen en ook de beweegredenen van de personages blijven raadselachtig. Toch lees je het boek uit, voornamelijk dankzij het thrillerelement en de droge humor. Ook de romans van Marie Ndiaye zijn geen klassieke verhalen. Haar personages verdwijnen soms van het ene op het andere moment of blijken onverwachts elders een nieuw leven te zijn begonnen.

Uit de gelederen van de `nouveaux nouveaux romanciers' is geen theoreticus opgestaan. Geen van hen heeft een tijdschrift opgericht en getracht overeenkomsten in stijl of thematiek te verwoorden, laat staan een manifest op te stellen. Robbe-Grillet erkent dat er sprake is van een literair nageslacht al spreekt hij, in een interview met het tijdschrift Lire, van een `gebrek aan overtuiging' bij de jongeren, `van een soort op drift geraakte onzekerheid die radicaal van mijn houding verschilt'. Jonge schrijvers doen iets anders, meent Robbe-Grillet (in Libération), maar dat anders is een beetje te veel `l'air du temps'. Die tijdsgeest is veel lichter tegenwoordig, zo meent hij, en dat weerspiegelt zich in de literatuur. Talent hebben en lichte kost schrijven is in zijn ogen bijna een misdaad. Waar is de geest van de revolutie die de schrijvers van de nouveau roman voortdreef? `Tegenwoordig wil iedere jonge schrijver toch minstens een appartement, een hond, een vrouw, een auto en een goudvis', schampert Robbe-Grillet (in Lire). `Welke schrijver wil er nog serieus de structuur van zijn boeken analyseren? Tegenwoordig wil hij zijn boeken verkopen en gauw ook, om er dan goed van te leven. Zo'n schrijver wordt des te sneller een bestsellerauteur: zijn werk irriteert toch niet! Het stoort niemand. Dat is geen verwijt, maar een constatering. Literatuur bestaat uit meerdere soorten literatuur. Er is literatuur die irriteert, die stoort, die prikkelt en literatuur die dat niet doet.'

Dodelijker kritiek bestaat er nauwelijks. Maar Robbe-Grillet doet zijn jonge collega's onrecht, zeker diegenen die onverstoorbaar doorwerken aan een eigen oeuvre. Ook gaat de theoreticus van de nouveau roman wel erg gemakkelijk voorbij aan diegenen die wel degelijk een debat voeren over de hedendaagse literatuur, zoals de redacteuren van het bescheiden gestencilde tijdschrift Ligne de risque. Enkele jaren stelden zij het `déprimisme' in de Franse literatuur aan de kaak en ook gaven zij de aanzet tot de discussie over `les moins-que-rien', de minimalistische, eenvoudige, uit het leven gegrepen portretten van bijvoorbeeld Philippe Delerm. Dan zijn er nog de redacteuren van Perpendiculaire die met een theoretisch oog de nieuwe ontwikkelingen in de Franse literatuur beschouwen, maar zij zijn, sinds zij hun mederedacteur Michel Houellebecq, uit hun midden gooiden ook hun uitgever (Flammarion, ook die van Houellebecq) kwijt.

Voor Robbe-Grillet zijn het debatjes van niks en over niks. In de redactie van het tijdschrift Critique discussieerde hij vroeger met Roland Barthes, Pierre Bourdieu, Jacques Derrida en Jacques Lacan. Daar kunnen de huidige tijdschriften niet aan tippen. `Die hebben geen sterren, maar alleen tweederangs spelers en figuranten', aldus Robbe-Grillet.

Zulke schamperende uitspraken rieken naar frustratie en moedwillige onwetendheid en ze gaan voorbij aan een nieuwe tijdgeest. Was het in de loop van de twintigste eeuw nog mogelijk in de Franse literatuur tastend stromingen aan te wijzen surrealisme, absurdisme, structuralisme , nu lijkt de literatuur zich radicaal aan dergelijke pogingen te onttrekken. Ook Franse schrijvers zijn, in onze steeds individualistischer wordende, van ideologieën ontdane wereld, steeds minder geneigd zich aan te sluiten bij geestverwanten. Ze onderzoeken hun eigen persoonlijke universum en, als het goed is, de manier waarop deze zich verhoudt tot het grote universum. Ze zijn niet uit op de revolutionaire confrontatie met grote contemporaine, literaire namen, maar zoeken een uiterst individuele uitdrukking voor hun uiterst individuele beleving die overigens heel goed universeel kan zijn.

Neem de vrouwelijke auteurs die de laatste tijd van zich doen spreken door hun uitgesproken realistische beschrijving van het vrouwelijk lichaam en de vrouwelijke seksualiteit: Marie Darrieussecq, Virginie Despentes, Lorette Nobécourt, Catherine Millet, Christine Angot. Ieder van hen overschrijdt op dat gebied grenzen, ieder creëert haar eigen taal ze ploegen op dezelfde akker, maar van een groepsidee is absoluut geen sprake. In plaats daarvan ziet Millet zich graag naast negentiende-eeuwers als Choderlos Laclos of de Marquis de Sade. Marie Darrieussecq zou wel eens een nakomelinge van Nathalie Sarraute kunnen zijn, terwijl Virginie Despentes louter put uit haar persoonlijke woede.

Het heeft er alle schijn van dat de huidige Franse literatuur, als spiegel van de wereld, steeds meer bestaat uit losse elementaire deeltjes, die botsend hun eigen weg vinden. Ieder put uit zijn eigen stilistische periodieke systeem, ieder neemt als individu zijn eigen plaats in de literaire traditie in. Het leidt tot ongrijpbare versnippering en ondefinieerbare veelvormigheid, vaak vlammend van toon en krakend van creativiteit. De traditionele, negentiende-eeuwse, realistische roman is ver weg. Klassieke Franstalige vertellers zijn nu afkomstig van het Afrikaanse continent of van Franstalige eilanden als Haïti of Guadeloupe. Zo af en toe is er nog een Fransman die een dergelijke saga schrijft, zoals Jean-Christophe Rufin en zijn Rouge Brésil en die wint dan de Goncourt.

Alain Robbe-Grillet: La reprise. Minuit. 253 blz. ƒ44,55 Alain Robbe-Grillet: Le voyageur. Textes, causeries et entretiens. Christian Bourgois, 551 blz. ƒ72,–

    • Margot Dijkgraaf