De aanzienlijkste man van de wereld

Van Nederland uit gezien was een van de jammerlijkste veldslagen van de Tweede Wereldoorlog die bij Arnhem in september 1944. Als Montgomery's oversteek van de Rijn daar gelukt was, zou de hele invasie van Duitsland anders verlopen zijn – en waarschijnlijk sneller; dan had Noord-Nederland geen hongerwinter hoeven doorstaan.

Roy Jenkins' biografie van Churchill houdt in die herfst de lezer bezig met de vele reizen van de PM (prime minister). In augustus was hij in Italië, in september had hij de tweede conferentie van Quebec, in oktober moest hij naar Moskou, in november naar Parijs. Waar blijft de slag bij Arnhem? Tussen al de besprekingen over het beleid staat die vermeld in de helft van een zin, bijna overgeslagen.

Het is leerzaam om weer eens te zien hoeveel meer indruk historische gebeurtenissen maken op de betrokkenen dan op geleerde buitenstaanders. Daarna moet in aanmerking genomen worden dat Jenkins' boek voornamelijk over Churchills eigen tijdsbesteding gaat, met de politieke en de militaire geschiedenis terzijde. Zonder die beperking zouden de negenhonderd pagina's nog veel te weinig geweest zijn. Jenkins volgt een route tussen aan de ene kant de openbare twintigste eeuw en aan de andere kant het privé-leven en de intimiteit van Churchill. Hij verwijst naar die aangrenzende gebieden, herinnert eraan en vat de voornaamste gebeurtenissen samen; waar hij zich op concentreert is wat de grote man bedacht en hoe hij het uitvoerde – hoe hij zijn zeven werkdagen van de week besteedde. Het levensverhaal maakt wel eens een beknopte indruk wanneer wij ons gaan indenken wat er nog meer verteld zou kunnen worden over de geschiedenis waarin hij optrad. Het onderwerp Churchill zou twee keer zoveel ruimte in beslag nemen.

Jenkins' werk is daar niet mee terechtgewezen. Het kan als een sterk punt ervan worden beschouwd dat hij laat beseffen hoe weinig negenhonderd pagina's zijn voor dit leven van negentig jaar: tien per jaar, terwijl vaak het hele Britse imperium, en soms bijna de hele wereld, erbij betrokken was. De balans tussen wat er staat en wat er niet staat is bevredigend genoeg. Aan het slot kunnen wij ons enigszins voorstellen hoe het geweest moet zijn om zo'n leven te Ieiden.

Anticlimax

Voor een goed begrip van Churchills persoonlijkheid hebben wij meer dan de biografische gegevens, die beschikbaar zijn in de grote `official biography' van Martin Gilbert waar Jenkins ze grotendeels aan ontleend heeft. Hij heeft dit werk ondernomen, zoals hij uitlegt, omdat hij tegen zijn tachtigste jaar (dat hij intussen bereikt heeft) nog eens een grote politieke biografie wilde schrijven en er door een bevriende adviseur van werd overtuigd dat, na zijn boeken over Gladstone en Asquith, alleen Churchill geen anticlimax zou betekenen. Dat hij hem zelf als jong Lagerhuislid slechts van een afstand gekend heeft leek hem geen bezwaar – al hadden de gesprekken tussen hen veelzeggende anekdotes kunnen opleveren. Van meer betekenis is dat Jenkins hem in de laatste jaren nog in actie gezien heeft, en dat hij zowel het parlementslidmaatschap als het ministerschap uit eigen ondervinding kent. Hij heeft de Britse politiek niet alleen bestudeerd, hij heeft erin geleefd en schrijft erover als een vakgenoot. Het moet dan ook met respect genoteerd worden dat hij na zijn werk aan deze biografie niet langer, zoals vroeger, van mening is dat Gladstone de grootste van de Britse premiers is geweest. De grootste was ondanks zijn eigenaardigheden Churchill, vindt Jenkins nu, op grond van diens genie, doorzettingsvermogen en persoonlijkheid.

Ik had dat oordeel niet verwacht. Gladstone lijkt in zijn ideeën van grotere betekenis: een liberale hervormer, wat Churchill niet was. Dat hij een wereld achterliet die anders was dan in z'n jeugd kwam niet door hem. Wat kan hier nog meer bij ingebracht worden? Dat Groot-Brittannië onder Churchill zwaarder op de proef gesteld werd dan onder Gladstone; dat hij beter schreef, en ook in zijn redevoeringen meer eigen stijl had; dat zijn gevoel voor humor sterker ontwikkeld was – niet dat hij energieker en productiever was, want in dat opzicht waren zij allebei ontzagwekkend. Ik had gedacht dat zij ongeveer gelijk uit zouden komen; wie dat nu nog vol wil houden moet het tegen Roy Jenkins opnemen.

Voor lezers die de carrière van Churchill niet eerder onderzocht hebben zal het verhelderend zijn om hem uitgebreider te leren kennen dan alleen als de man van 1940 tot 1945. Het is al vaak gezegd dat, als in het voorjaar van 1940 de politieke verhoudingen en de persoonlijke kwaliteiten van mogelijke partijleiders iets anders geweest waren, en Churchill tot opluchting van de vele Conservatieven die hem een lawaaischopper vonden niet op 10 mei 1940 Chamberlain was opgevolgd, niemand hem ooit met Gladstone had vergeleken. Wat hij in zijn voorafgaande 65 jaar gepresteerd had als journalist en schrijver, parlementariër en minister was toch niet gering, zelfs na aftrek van de grote mislukking bij Gallipoli in 1915. Hij was toen als minister van Marine verantwoordelijk voor de landing van Britse en Franse troepen aan dat voorportaal van de Bosporus, waarvan het resultaat had moeten zijn dat de Duitsers hun greep op Turkije en de Balkan verloren. Het pakte verkeerd uit, er werden veel levens bij verloren en Churchill kreeg een minder belangrijke regeringsbaan, die hij na enige maanden verliet om dienst te gaan doen als officier in Frankrijk. Op andere posten had hij beter werk gedaan, en na de oorlog was zijn voornaamste minsterschap dat van Financiën van 1924 tot 1929.

Politieke wildernis

Toen dat afgelopen was, moest hij zich een tijd lang bezighouden in de zogenaamde politieke wildernis, dat wil zeggen buiten de regering. Hij bleef een man van aanzien als parlementslid en commentator en schreef veeldelige boeken: My Early Life, The World Crisis, en de biografie van zijn voorvader, de eerste hertog van Marlborough. De bedragen die hij ervoor kreeg waren indrukwekkend, op het niveau waarop nu Kissinger en mevrouw Thatcher gehonoreerd worden. Het geld was niettemin altijd gauw op. Zoveel dat hij er rijk van werd kreeg hij pas na 1945 voor deel na deel van The Second World War.

Na 1945 was hij dan ook de aanzienlijkste man van de wereld – Roosevelt was dood, Stalin werd alleen door partijgenoten even hoog geschat en verder kwam niemand voor die status in aanmerking. Leek hij slechts zo uitzonderlijk omdat de omstandigheden hem in een flatteus licht gezet hadden, of was zijn ware uitzonderlijkheid door de omstandigheden zichtbaar geworden? De lectuur van Roy Jenkins' boek brengt de lezer een eind in de richting van het antwoord op die vraag, zonder het punt te bereiken waarop er geen twijfel meer mogelijk is.

Dat hoeft ook niet bereikt te worden. Het is mooi genoeg om op de nominatie te staan voor de topplaats van de wereld. Zeker is dat Churchill optrad met een combinatie van talenten, energie en zelfvertrouwen waar niemand zijns gelijke in zal voelen. Hij onderscheidde zich ook door minder schuw dan de meeste Britten tegenover het vooruitzicht van Europese en algemene internationale samenwerking te staan; hij droeg er ideeën voor aan, en ging meer dan tevoren op Gladstone lijken als wereldvernieuwer en -verbeteraar.

In zijn tweede premierschap, van 1951 tot 1955, trad hij bij tijden minder helder en ingrijpend op dan vroeger. AI had hij zich van een beroerte in 1953 nog mooi hersteld, de gangbare opvatting werd daarna dat hij eens moest stoppen, op zijn bijna-tachtigste. Toen hij in april 1955 eindelijk was afgetreden, kreeg Eden, die ook al niet kerngezond meer was, de eerlijk verdiende kans waarop hij al tien jaar zat te wachten. Hij profiteerde er maar tot eind 1956 van: daarna werd zijn positie onhoudbaar door de mislukking van de invasie van Suez. Ik zou die invasie nooit aangedurfd hebben, zei Churchill: ,,En als ik het wèl gedurfd had, zou ik nooit hebben durven ophouden.'' Een toonbeeld van Churchilliaanse zelfkennis.

Men zal nog vele andere werken moeten raadplegen om het beeld van de man en zijn tijd kritisch verantwoord voor ogen te krijgen. Wat Roy Jenkins intussen bereikt heeft, is dat het lijkt of Churchill pas kort dood is en wij zijn leven hebben horen beschrijven door iemand die hem goed kende. Hoeveel er ook nog bij aangevuld zou moeten worden dat de geschiedenis van vijftig jaar en langer geleden behoed is voor achterblijven in de vorige eeuw; hij hoort nog bij onze tijd.

Roy Jenkins: Churchill. Macmillan, 952 blz. ƒ121,50

    • J.J. Peereboom