Conflict Geesink-Blankert: één brief, twee interpretaties

Volgens voorzitter Blankert mag het NOC*NSF zijn bestuursmodel handhaven van het IOC en is de sportkoepel niet langer `illegaal'. IOC-lid Geesink bestrijdt die zienswijze.

Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft dinsdag met een fax onbedoeld de discussie tussen NOC*NSF en het Nederlandse IOC-lid Anton Geesink over de status van de sportkoepel weer aangewakkerd. Voorzitter Hans Blankert concludeert dat de statuten van zijn organisatie nu voldoen aan de eisen van het IOC. Geesink beweert het tegenovergestelde. Eén brief, twee interpretaties.

De discussie spitst zich toe op het bestuursmodel van NOC*NSF, dat anders is ingericht dan het olympisch handvest voorschrijft. In Nederland is de algemene ledenvergadering, gevormd door alle sportbonden, het hoogste besluitvormende orgaan. De bestuursleden bezetten een kwaliteitszetel zonder `liaison' met een bond. Voor die constructie is bij de fusie tussen NOC en NSF gekozen om belangenverstrengeling te voorkomen. Het Olympic Charter schrijft echter voor, dat een meerderheid van het bestuur dient te bestaan uit vertegenwoordigers van de olympische bonden met inbegrip van ten minste twee olympische (oud-)atleten.

Het bestuur van NOC*NSF wil niet van samenstelling veranderen en heeft dit op 8 november aan het IOC toegelicht. De argumentatie is dat de structuur gestoeld is op het Nederlands verenigingsrecht en via de algemene ledenvergadering de macht bij de bonden ligt. Geesink vindt echter dat NOC*NSF zonder omwegen het olympisch handvest moet naleven. En zo lang dit niet gebeurt, is er volgens hem sprake van een `illegale situatie'.

In een fax aan Blankert schrijft Pere Miro, directeur relaties nationale olympische comité's, namens het IOC dat de uitleg over het Nederlandse bestuursmodel wordt geaccepteerd, maar dat de kwestie opnieuw wordt bekeken als zich problemen voordoen.

Blankert concludeert dat die tekst niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. ,,Er staat zwart op wit dat ons bestuursmodel akkoord worden bevonden. De algemene ledenvergadering blijft het hoogste orgaan, maar het bestuur blijft op afstand. Het staat de bonden vrij bestuursleden voor te dragen, maar eenmaal gekozen functioneren zij zonder last of ruggespraak.''

Blankert juicht te vroeg, volgens Geesink. Hij wijst op het toegevoegde zinnetje: `de kwestie wordt opnieuw bekeken als zich problemen voordoen'. Het IOC-lid ziet daarin allerminst de onvoorwaardelijke acceptatie van de uitzonderingspositie die NOC*NSF claimt. Geesink: ,,Dan had het IOC wel geschreven: `wij accepteren het Nederlandse bestuursmodel'. Maar ik lees in de fax dat de statuten van NOC*NSF in een later stadium door het IOC aan het olympisch handvest worden getoetst. En dan moeten de olympische bonden alsnog tot het NOC*NSF-bestuur toetreden. Bovendien hebben IOC-directeur François Carrard en IOC-lid Kevin Gosper mij persoonlijk verteld dat NOC*NSF daar eenvoudigweg niet onderuit komt.''

Blankert, die moeite heeft om zijn ergernis over het optreden van Geesink in deze kwestie te verbergen, vreest een toetsing achteraf door het IOC allerminst. ,,Omdat het een standaardprocedure is'', redeneert hij. ,,Wij hebben onze statuten op zeventien punten gewijzigd. En nadat wij die in het bestuur hebben behandeld, worden ze vertaald en ter goedkeuring aan het IOC voorgelegd. Daarna volgt de behandeling in onze voorjaarsvergadering van mei 2002.''

Wat de vertegenwoordiging van atleten in het bestuur betreft, komt NOC*NSF het IOC wel tegemoet. Het bestuur wordt van tien leden uitgebreid tot veertien en één zetel wordt bezet door een vertegenwoordiger van de atletencommissie. Het bestuur van de sportkoepel rekent op voorzitter Peter Blangé, maar laat de beslissing over aan de commissie. Bovendien krijgen twee leden van de atletencommissie stemrecht in de algemene ledenvergadering.

Voor Geesink zijn dit belangrijke aanpassingen. Hij pleit al langer voor meer bestuurlijke invloed van atleten. Als het aan hem ligt, gaat de stem van de sporter op Papendal luid klinken. Geesink: ,,Ik zal me inzetten om de atleten mondig te maken.''

    • Henk Stouwdam