Communisme voor kinderen verklaard

In Centraal-Europa hebben oorlog en onderdrukking tussen 1939 en 1989 een Jeroen-Boschachtige werkelijkheid gecreëerd. Het leven was er rauw en onvoorspelbaar. Je had er geen andere keuze dan je aan te passen aan het regime van de dag en het echte leven te bewaren voor in je dromen. Zij die dat niet deden waren reddeloos verloren. Ze werden vermoord, gevangengezet of gingen in ballingschap.

Toch is er juist in die periode een grootse literatuur ontstaan, waarvan schrijvers als Bohumil Hrabal, Milan Kundera en György Konrád de bekendste vertegenwoordigers zijn. Hun boeken hebben meestal het (over)leven van gewone mensen in een totalitaire staat als thema. Het zijn een soort moderne bijbelse vertellingen over de door de geschiedenis getorpedeerde basisvoorwaarden van een fatsoenlijk bestaan.

Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 gingen ook westerse schrijvers zich in hun werk op intensieve wijze met het communistische Centraal-Europa bezighouden. Het resultaat was vaak bedroevend, omdat er altijd wel iets ontbrak in die romans. Iets eigens, waarover je alleen maar kunt beschikken als je zelf uit zo'n Oost-Europees land komt.

Ook de gelauwerde Britse schrijfster Jill Paton Walsh is in die valkuil getrapt. In haar nieuwste boek, De woeste kust van Bohemen, volgt ze de leden van een aristocratisch en van een communistisch gezin in een niet-bestaande provincie van Tsjechoslowakije vanaf de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog tot aan de val van het communisme. De titel van het boek is ontleend aan Shakespeares The Winter's Tale, waarin Antigonus een pasgeboren meisje in veiligheid wil brengen door met haar naar de wildernis te trekken. Hij landt op een woeste kust en vraagt aan een matroos: `Thou art perfect then that our ship hath touched upon/ The deserts of Bohemia?' Waarop de matroos dit beaamt, maar eraan toevoegt dat hij helaas vreest dat ze te kwader uur zijn aangekomen.

Paton Walsh vertelt haar verhaal in negen hoofdstukken, waarin telkens een van de personages in het middelpunt staat. Zo begint het boek in 1945 veelbelovend met de beschrijving van de lotgevallen van het meisje Eliska dat ternauwernood aan een massaslachting is ontsnapt en in verwarde toestand het verlaten kasteel van graaf Blansky binnenvlucht. In de keuken vindt ze een achtergelaten baby, over wie ze zich ontfermt.

Even later verschijnen als in een toneelstuk achtereenvolgens de jonge partizaan Jiri, de Deutschfreundliche maar anti-nazi kasteelheer graaf Blansky, de wrede carrièrecommunist Slavomir en de fabrikantenzoon Frantisek. In kort bestek worden nu de nieuwe machtsverhoudingen afgebakend in een clichématig perspectief van communistische overwinnaars versus de verliezende bezittende klasse.

In het tweede hoofdstuk wordt het verhaal van Frantisek verteld. Als telg uit een vermogende familie staat hij aanvankelijk niet onwelwillend tegenover de communisten, maar hij vlucht in 1948 – als de communisten de macht hebben gegrepen – toch naar Engeland. In 1967, aan de vooravond van de Praagse opstand, staan de lotgevallen van de `goede' communist Jiri centraal, die inmiddels is gaan twijfelen aan de zegeningen van het communisme, in dissidentenkringen verkeert en tenslotte in de gevangenis belandt.

Vervolgens komen 1980 (de opkomst van de dissidentenbeweging Charta 77), 1985 (een periode van beginnende dooi) en 1989 (de ondergang van het communisme) aan de orde.

Op die manier behandelt Paton Walsh de hele Tsjechoslowaakse geschiedenis, om via het veelbetreden pad van goed, fout en alles wat daartussen ligt, tenslotte met een happy ending te eindigen. Zo keren de ballingen terug naar hun geboorteland en kom je eindelijk te weten wie de moeder van de vondeling uit het eerste hoofdstuk is.

Op zichzelf hoeft zo'n eenvoudige verhaallijn niet storend te zijn, ware het niet dat de personages van Paton Walsh zo aan de oppervlakte blijven. Graaf Blansky die al zijn bezittingen verliest en in ballingschap gaat, zijn zuster Anna die zoals een groot deel van de Tsjechische bovenlaag nu eenmaal meer opheeft met de Duitse dan met de Tsjechische cultuur en dan ook een verhouding krijgt met een hoge Duitse officier, Frantisek die zich maar niet kan aanpassen aan het Britse milieu waarin hij verzeild raakt en uiteindelijk terugkeert naar zijn land van herkomst – ze zijn allemaal te eendimensionaal neergezet om echt tot leven te komen. Op een vergelijkbare manier gaan de door Paton Walsh behandelde morele vraagstukken van goed en fout, macht en machteloosheid mank aan die oppervlakkigheid.

Paton Walsh, die overigens in een mooie, soms sprookjesachtige stijl schrijft, lijkt zich in De woeste kust van Bohemen duidelijk te hebben vertild aan haar `dramatische' onderwerp. Haar boek is eerder een geschiedenis van communistisch Tsjechoslowakije voor kinderen verklaard, dan een serieuze roman waarin je als lezer afdaalt in de catacomben van de menselijke ziel waar voortdurend je verbazing wordt gewekt. Een Tsjechische schrijver was zoiets nooit overkomen.

Jill Paton Walsh: De woeste kust van Bohemen. Nijgh & Van Ditmar, 304 blz. ƒ41,76

    • Michel Krielaars