Beelden in een juweliersetalage

De rol van beeldende kunst in de openbare ruimte is omstreden. In Rotterdam is de worsteling met de `openbare' kunst op overtuigende wijze te zien.

Kunst in de openbare ruimte – is er iemand die er vrolijk van wordt? De omschrijving zelf geeft het failliet van het verschijnsel al aan: dit is kunst die door niemand in het bijzonder is bestemd voor niemand in het bijzonder.

Het aantal beelden in de steden groeit gestaag. Vorige week waren er weer flink wat onthullingen. In Amsterdam werd het beeld Regenerator van Marina Abramovic gepresenteerd, het eerste permanente werk in de openbare ruimte van deze kunstenaar die in de jaren tachtig beroemd werd met performances samen met Ulay, en in de Culturele Hoofdstad Rotterdam vierde men de voorlopige voltooiing van de internationale beeldencollectie langs de `Culturele As', de route die loopt vanaf het Centraal Station tot over de brug over de Nieuwe Maas, langs de Westersingel.

Ondanks de onverdroten inzet van kunstambtenaren is kunst in de openbare ruimte ontheemd, en is het niveau van wat op dit gebied wordt geproduceerd over het algemeen bedroevend laag. Toegegeven, Abramovic kan een goed gevoel voor locatie, of voor de genius loci, niet worden ontzegd. Zij ontwierp een soort bijouteriedoos: een koperen, cirkelvormige schijf waarin zeven kleurige mineralen zijn aangebracht. De edelstenen hebben ieder een eigen helende straling, volgens Abramovic. Zo troost het roze kristal mensen met liefdesverdriet, en het groengespikkelde kristal helpt tegen burn-out. Het winkelende publiek in de deftige Beethovenstraat kan nieuwe energie opdoen door plaats te nemen op een van deze kristallen. Dankzij de Regenerator gaan shoppen en spirituele verlichting nu in Amsterdam-Zuid heel goed samen.

Eeuwenlang hebben beeldende kunstenaars en architecten samengewerkt en grote dingen tot stand gebracht. Totdat in de 19de eeuw de twee disciplines uit elkaar groeiden en architecten en kunstenaars elkaars vijanden werden. In de functionalistische opvatting van de bouwkunst, aan het begin van de 20ste eeuw, was geen plaats meer voor beeldende kunst; en andersom bevochten kunstenaars hun eigen, heilige `autonomie'. Het laatste voorbeeld in Nederland van een vruchtbare samenwerking zijn de 23 bruggen die beeldhouwer Hildo Krop en architect Piet Kramer tussen 1916 en 1949 maakten in Amsterdam. Ook tussen deze twee bestond spanning, want Kramer beschouwde, in navolging van Berlage, beeldhouwers slechts als uitvoerders van zijn ideeën. Maar Krop wist zijn positie te handhaven: zijn fantastische allegorieën en fabeldieren, bijvoorbeeld op de bruggen over de grachten in de Leidsestraat, zijn tot op de dag van vandaag een feest voor het oog, en trouwens ook voor de tastzin.

Sinds de band tussen kunst en architectuur is doorgesneden, is het kunstwerk in de stad op drift geraakt. Desalniettemin is er juist zo'n vijftig jaar geleden een enorme aanwas aan kunst in de openbare ruimte op gang gekomen. Ongetwijfeld speelt de percentageregeling (overheidsregeling die bepaalt dat 1% van de bouwsom aan kunst wordt besteed) hierin een rol, maar ook nu deze regeling niet meer zo automatisch als voorheen wordt toegepast, zet de beelden-hausse door. Maandelijks worden kunstenaars aangespoord om te reageren op nieuwe opdrachten gepubliceerd in het blad BK Informatie. Ambtenaren van de Rijksgebouwendienst en van gemeentelijke instellingen wedijveren met elkaar om steden en gebouwen te verfraaien.

Het water van de Westersingel begint te borrelen en daar verschijnen letters van luchtbelletjes. Samen vormen ze een aansporing: no matter try again fail again fail better. Na een poosje verdwijnen de woorden weer. Het is een mooi, efemeer schouwspel waarbij vorm en inhoud een ondeelbaar geheel zijn. Job Koelewijn (1962), de maker van dit werk, heeft de gave om op een poëtische, lichte manier de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan te verbeelden. Dus zo erg is het nog niet gesteld met de kunst in de openbare ruimte, denkt u nu misschien, want we hebben er toch maar een geslaagde Koelewijn bij. Dat is waar; alleen – de reden dat dit een goed kunstwerk is, is precies de ontkenning van waar het hier over gaat. Dit werkt dringt zich niet op, het neemt geen ruimte in, het is ironisch en ontkent zelfs zichzelf. De aanwezigheid van het werk kan alleen op negatieve wijze worden gedefinieerd.

En zo maakte Koelewijn een treffende metafoor voor de status van kunst in de openbare ruimte. Want in werkelijkheid is er in de openbare ruimte helemaal geen plaats voor kunst. Jazeker, er is wel plaats voor broches zoals die van Abramovic, voor kunstwerken die geen andere betekenis hebben dan onze welvaart te symboliseren of om een straathoek of gebouw te versieren.

Het nieuwe `Beeldenterras' langs de Westersingel is een juweliersetalage. Niet vanwege de afzonderlijke beelden, integendeel, er zijn enkele zeer waardevolle sculpturen bij en het is op zichzelf een goede zaak dat beelden die in het verleden door de stad zijn aangekocht opnieuw een plaats krijgen. Het ligt aan de wijze waarop de beelden gepresenteerd zijn. De kade is verbouwd tot een boulevard van rode baksteen, en voor ieder van de zes beelden is een sokkel ontworpen van blauwgrijze natuursteen. Een demonstratie van zoveel onbegrip voor sculptuur, voor proportie en materiaal, als hier krijgen we zelden te zien. Voor de monumentale, kalkstenen Liggende Figuur van Fritz Wotruba (1907-1975) werden de hardstenen platen zodanig gemetseld dat het lijkt alsof de figuur op grafstenen ligt. De Lopende man van Auguste Rodin hoort op de grond te staan, maar kreeg juist een sokkel van een meter hoog. En de sokkelontwerper werd door Het Afscheid van Umberto Mastroianni zodanig geïnspireerd dat hij de abstract-geometrische dynamiek van het beeld in de sokkel meende voort te moeten zetten.

Het is een soort modeshow, daar op het Beeldenterras. Daarmee is de wandelkade die, afgezien van de Wotruba die daar aanvankelijk lag, leeg was, effectief ingevuld. Want hier lijkt het bij kunst in de openbare ruimte vooral om te gaan: het invullen van lege plekken. Lege plekken passen niet in een maatschappij die gedicteerd wordt door de wetten van de economische expansie. Kunst wordt door de politiek uitsluitend gewaardeerd als product, als bezit, als sieraad. De inhoud of betekenis speelt daarbij geen rol. `Burgemeester en wethouders hebben schoon, heel en veilig bovenaan hun prioriteitenlijstje staan', zoals staat vermeld in de brochure van het Beeldenterras.

De Oostenrijkse beeldhouwer Franz West (1947), die het werk Qwertz maakte voor het talud langs de Westersingel, ter hoogte van de Eendrachtsweg, heeft het goed begrepen. Qwertz bestaat uit vijf langgerekte worsten van platen aluminium, glanzend gelakt in de kleuren roze, mintgroen, geel, blauw en bruin. Het was een hoop handwerk, dat kan je wel zien, al dat vouwen en knippen van de platen, het plakken en het lassen. De slome vormen liggen er verloren bij. Ze belichamen het wezenloze van kunst in de openbare ruimte, en doen dat heel goed. Maar je kan er wel op zitten of er tegenaan zitten, in het gras, en naar het water kijken. West heeft al vaker laten zien dat hij in staat is om op een vileine en toch humoristische manier dwars tegen de hypocrisie van de kunstpolitiek in te gaan.

Maar er wordt in Rotterdam nog op een andere manier kritiek geleverd op het kunstwerk als bijou. Dit is het project A dog in the backyard. Op initiatief van het Centrum Beeldende Kunst is er een groep mensen bijeengebracht die zich bezighouden met de openbare ruimte `aan de achterkant van de Culturele As'. Hier waart de geest van Joseph Beuys rond, met zijn Jeder Mensch ist ein Künstler. Hier vinden we bijvoorbeeld Rolf Engelen, die in de oneven maanden directeur van het kleinste museum ter wereld is, op dinsdag gedichtdag organiseert en die zich wijdt aan het project `Tweede-kansplant'. Hier, achter het Goethe-instituut, is Rudy Luijters bezig met de herinrichting van een verwaarloosd parkje en met het ontwerpen van Goethes `Gartenhaus', met klimrozen en al. En het organisatiebureau `Onkruid en Roos' stelt niet-Rotterdammers in staat om aan inwoners van de stad, per brief of door een persoonlijke ontmoeting, hun `stadsgeheimen' te ontfutselen. Van A dog in the backyard is een mooi boek gepubliceerd, vol met dromen en utopiën over het dagelijkse leven in Rotterdam.

Nee, aan goede ideeën is geen gebrek. Dit blijkt ook uit de talrijke tijdelijke projecten in de steden, bijvoorbeeld zoals die georganiseerd worden door het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Goede kunstenaars zijn er genoeg. Het gaat pas fout bij de procedures rond de plaatsing van permanente kunstwerken. Het ontbreekt onze maatschappij aan goed opdrachtgeverschap. Iedere opdrachtgever krijgt de kunst die hij verdient; zonder een goede opdrachtgever is het bijna onmogelijk dat er iets waardevols tot stand wordt gebracht in de openbare ruimte. Het is onwaarschijnlijk dat hier snel verandering in zal komen. In ieder geval niet zolang de visie op cultuur van politici en beleidsmakers beperkt is tot louter economische waarden, gelardeerd met een paar gratuite ideetjes over multiculturalisme.

Vaclav Havel gaf ooit een mooie uiteenzetting van wat cultuur is: `Cultuur is meer dan het glazuur op de cake. Cultuur is geen afzonderlijke sfeer van menselijke activiteit, zoals de zorg voor het erfgoed, het produceren van films, of het schrijven van poëzie. Het gaat om cultuur in de breedste zin van het woord: de cultuur van menselijke relaties, van het menselijk bestaan, van menselijk werk, menselijke ondernemingen, van het openbare en politieke leven'. Pas wanneer er een opdrachtgever is wiens ideeën verder reiken dan `schoon, heel en veilig', kan er een context ontstaan waarbinnen de kunst, al dan niet in samenwerking met de architectuur, weer een betekenisvolle bijdrage kan leveren aan de stad.

Kunst in de openbare ruimte. Internationale beeldencollectie langs de Culturele As in Rotterdam. Het beeld `Regenerator' van Marina Abramovic staat op de hoek van de Beethovenstraat en de Gerrit van der Veenstraat in Amsterdam. Inl. over `A dog in the backyard': CBK Rotterdam, 010-2250854.

    • Janneke Wesseling