Met de wichel op stap

Op een regenachtige middag kwamen wij bijeen op een boerderij in Lhee, vlakbij Dwingeloo. Een groepje van vijftien mensen had zich opgegeven voor een fietstocht langs enkele prehistorische plekken in het Drentse land. Daar zouden wij met de wichelroede poolshoogte gaan nemen. Een goedlachse man van middelbare leeftijd heette ons welkom.

,,Zeg maar Klaas'', klonk het joviaal.

Op de deel en op tafels in de hal lagen stenen en `gereedschappen uit de steentijd', zoals Klaas zei. We liepen door naar een zaaltje onder het schuine dak waar een paar rijen stoelen waren neergezet. Op elke stoel lagen twee stukken koperdraad die in een rechte hoek waren omgebogen. Aan de wand hingen bundeltjes veren en schilderijen van vage landschappen. Ik las het woord `sjamaan'. Een serie glazen kasten bevatte stenen voorwerpen uit de steen- en bronstijd.

Onze gids in het onbekende begon met een korte uiteenzetting. Als oud-leraar Engels was hij gewend een groep toe te spreken. Hij liet algauw het woord `wichelroedegevoel' vallen, evenals `wichel', de knusse afkorting van wichelroede. Hij sprak over leylijnen, die de aarde als een onzichtbaar netwerk omspannen, over positieve en negatieve energieën, yin en yang, aura en bioritme. Niemand van de aanwezigen reageerde verbaasd.

Klaas zei dat de wichel een persoonlijk instrument was dat op de juiste wijze gehanteerd en geïnstrueerd moest worden.

De draad diende losjes door de vingers omklemd te worden, waarbij de duim op afstand werd gehouden. Je mocht de wichel ook op de pink laten steunen.

We spraken af: draaide de wichel naar buiten, dan ging het om negatieve energie; naar binnen was positief. Positieve energie, zo zou blijken, werd ook duidelijk als positief ervaren – een plek met veel positieve energie doet de borstkas opzwellen en geeft je een goed gevoel. Voor negatieve energie geldt het omgekeerde.

In de tuin gingen we even proefdraaien. Eerst liep Klaas naar een linde die op een kruispunt van leylijnen stond. Meteen begon de wichel positieve signalen af te geven. Wij volgden zijn voorbeeld en ook bij ons was de uitslag positief. Bij een andere linde begonnen de draden echter rond te tollen. Klaas schoot in de lach – ja, legde hij uit, die boom was ooit door de bliksem getroffen.

Over modderwegen en door de motregen fietsten wij naar een plek waar ooit een `spieker' had gestaan, een plek waar ooit het graan was opgeslagen dat de boeren aan de landheer moesten afstaan. Het ging er nu om het middelpunt van het krachtenveld op te sporen. Dat bleek zich in de kuil te bevinden waar de spieker had gestaan.

Iris, een gezette vrouw met een sterk Fries accent, die vaker met de wichel op stap was geweest, zei dat ze op die plek hele sterke gevoelens kreeg. Klaas knikte. Zelf ervoer hij in het algemeen weinig, maar er waren inderdaad mensen die zeer gevoelig waren voor geconcentreerde energiebundels.

,,Wacht maar af'', glunderde hij, ,,straks komen we nog op een plek met een enorme uitstraling!''

Op een door trekkers kapotgereden landweg kregen we onze tweede opdracht. Hoeveel energiecentra konden we tot aan het bos ontdekken? Dit was een bijzonder pad, vertelde Klaas, want hier had hij veel vuistbijlen en andere gereedschappen uit de steentijd gevonden.

Na een meter of twintig was mijn wichel al twee keer op tilt geslagen. Een oudere man naast mij beweerde dat hij al vier centra had gelokaliseerd.

,,U bent een opschepper'', zei ik.

Hij schoot in de lach.

Kennelijk nam niet iedereen onze bovennatuurlijke afdaling in de prehistorie even serieus.

Zelf werd ik gefascineerd door twee in het zwart geklede vrouwen, ongetwijfeld moeder en dochter, die met een blik vol overgave het toverspel van hun wichels volgden.

Mijn fascinatie voor Iris was een stuk minder. Zij bleef soms stokstijf staan en vroeg dan op luide stem om aandacht. De leylijnen drongen bij haar naar binnen en legden daar de ene knoop na de andere. Zij zorgde ook voor het `hoogtepunt' van de dag. Want niet ver van de kuil in het bos met de `enorme uitstraling', vond zij een vergelijkbare plek. Klaas kon niet anders dan toegeven dat het ook hier om een oude woonplaats van de prehistorische mens ging.

De Drentse archeologie staat nog heel wat boeiende ontdekkingen te wachten.

    • Gerrit Jan Zwier