Laconiek typeur

Luc Lutz, die gisteren op 76-jarige leeftijd is overleden, was vooral een acteur van de lichte toets. Hij had een glanzend gepoetste stem waarmee hij de woorden slechts heel even hoefde aan te raken om ze tot leven te brengen, met een onmiskenbare fonkeling in de ogen en een klein, maar heel precies gemaakt gebaar. Hij kon zodoende zijn leven lang zwierig laveren tussen toneel en kleinkunst; hij ontving in 1967 een Arlecchino voor de beste bijrol, als Polonius in Hamlet bij het Nieuw Rotterdams Toneel, en was bij het grote publiek vooral bekend van de blijspelen die ook vaak op de televisie werden uitgezonden.

Van de drie acterende broers Ton, Luc en Pieter Lutz was Luc de middelste. Dat hij zonder aarzelen voor het toneel koos verklaarde hij later eens uit zijn hang naar imiteren: ,,Je bent op het toneel niet iemand anders, je schijnt iemand anders.'' Meteen na de bevrijding, op zijn 21ste, ging Luc Lutz naar de Amsterdamse toneelschool. Zijn beroepsdebuut maakte hij in 1948 bij het cabaret van Wim Sonneveld; een jaar later stapte hij over naar de toneelgroep Comedia. In de jaren vijftig was Lutz verbonden aan de Haagse Comedie, waar hij niet alleen opviel als een zorgvuldig, taalgevoelig acteur, maar ook als een kundig regisseur en als auteur van de traditionele nieuwjaarswens.

In die tijd schreef Luc Lutz voorts het succesvolle boekje Open doekjes, een blik achter de schermen van het toneel via ironisch getoonzette anekdotes en parodistische observaties over diverse toneelfiguren. Ook speelde hij af en toe, samen met de liedjeszanger Jules de Corte, een avond literair cabaret, met monologen van eigen en andermans hand.

Na engagementen bij het Rotterdams Toneel en toneelgroep Centrum verliet Luc Lutz in 1969 de kring van reguliere gezelschappen. Hij was toe aan verandering, zei hij, en gaf Dimitri Frenkel Frank opdracht een komedie te schrijven waarin Trudy Labij zijn tegenspeelster zou zijn: Spring uit het raam schat, we gaan trouwen. Vanaf 1973 verdiende hij in de populaire sector ,,een bom duiten'' met een groot aantal andere blijspelen, veelal samen met zijn toenmalige echtgenote Simone Rooskens. Het grootste kassucces was Ik slaap wel op de bank (1974), waarin hij met komisch raffinement een ordentelijke vrijgezel speelde die de nacht moest doorbrengen bij een hippie-meisje.

Zijn talent als typeur bleek bovendien uit zijn vele tv-rollen en zijn vaste medewerking aan het cabareteske KRO-radioprogramma Cursief onder leiding van Michel van der Plas, waarin zijn laconieke voordracht veel bijdroeg aan het komische effect. Ook toonde hij zich daarin een geoefend zanger van ballades en semi-klassiek getinte chansons.

In de jaren negentig verruilde Luc Lutz het theater voor de langlopende tv-serie Ha, die pa, waarin zijn zoon Joris als zijn tegenspeler optrad. Ook schreven ze samen een soepele vertaling van de musical The sound of music voor het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. Alleen in kleine kring hield hij soms nog een voordracht, waarbij hij een delicaat evenwicht hield tussen ernst en humor. Het toneel moest voor beide categorieën ruimte bieden, vond hij: ,,Van belang is alleen maar, dat het goed gespeeld wordt.''