Kost en inwoning

Met elk debuut presenteert zich een nieuwe dichter. Soms komt er ook zomaar, door de achterdeur, een nieuwe dichter binnen. Hij blijkt al zijn hele leven poëzie te hebben geschreven, is misschien al jaren dood, en ineens ligt daar zijn postume bundel. Ineens hebben we er een dichtersnaam bij, buiten medeweten van de dichter zelf.

Zo'n bundel is De uiterste palen der ballingen. Gedichten 1946-1995 van Jak van der Meulen, verschenen bij Brumes Blondes, Amsterdam. Er staan gedichten in van iemand die tijdens zijn leven uitsluitend in tijdschriften publiceerde, uiterst spaarzaam bovendien, en die wel tot een bundel wilde, maar niet kon komen. Door zijn te acute zelfkritiek, door zijn te beperkt talent, misschien ook wel door zijn te grote bewondering voor de poëzie van anderen.

Jak van der Meulen was een vermaard strafrechtjurist te Amsterdam. Excentriek, omstreden, een volslagen individualist. Hij hield niet van de politie, want hij had op school enkele joodse vrienden zien wegvoeren met de ijverige hulp van Hollandse agenten. Hij steunde de provo's en later de krakers, omdat hij gezegend was – behept, zeiden zijn collega's – met een zeer zwak ontwikkeld respect voor autoriteiten. En vooral: hij hield van gedichten. De poëzie was voor hem het belangrijkste, al legde hij een volstrekte desinteresse aan de dag voor de officiële literatuur.

Sommige mensen kunnen nooit iets weggooien. Oude postzegels, roestige spijkers, lege conservenblikken, alles bewaren ze. Uit zuinigheid en uit een gevoel van: je kunt nooit weten, het is zo weer oorlog. Oude koffie, het wordt tot dagen na de bereiding gedronken. Maar oude kranten, dat is zowat het enige dat door iedereen wordt weggegooid. De tijd is voorbij dat kranten in vierkantje stukjes werden gescheurd om op een spijker geprikt te worden en te dienen als toiletpapier (zoals in dit gedicht) of dat er vis in werd verpakt. Kranten worden hardvochtig weggegooid, met hun rijke inhoud en aardappelschillen en haringkoppen en al. Jak van der Meulen was de enige man die ik ooit gekend heb die kranten verzamelde.

Elke dag kocht hij er enkele bij het Athenaeum Nieuwscentrum, en enkele kocht hij ook niet. Die nam hij gewoon mee. Idem dito bij andere kiosken en krantenmannen. Zijn huis aan de Keizersgracht was een krantenpakhuis. Aan weerszijden van de gangen zag je stapels die tot het plafond reikten. In de vertrekken, waar de kranten concurreerden met de dichtbundels, was soms nauwelijks plaats voor een stoel. Zijn ideaal was blijkbaar het aanleggen van een universeel knipselarchief. Hij moet hebben beseft dat alle uitgeknipte artikelen op een of andere manier opnieuw geordend dienden te worden, zodat hij de kranten net zo goed ongeknipt kon laten. Een complete krant was eigenlijk de ideale knipselmap.

Ik kwam wel eens bij hem op bezoek, enkele malen in het gezelschap van de dichter Jacques Waterman, een van de vrienden die hij op school had zien wegvoeren en van wie ik in die tijd een bundel had geredigeerd. Wij deelden onze fascinatie voor de poëzie van Jacques Waterman, die uit zo'n heel andere bron leek te komen dan de gangbare poëzie. Nu, in De uiterste palen der ballingen, ontdek ik dat er een eigenaardige verwantschap bestond tussen de poëzie van Jacques en Jak. Bij beiden een surrealistische kruising tussen Bilderdijk, Lewis Carroll en de Franse modernisten, zal ik maar zeggen. Onze gesprekken – met kranten als rugleuningen en kranten als voetensteunen – gingen onveranderlijk over poëzie.

Er waren voor Jak van der Meulen zoveel andere stemmen dat de eigen stem hem moeilijk moet zijn gevallen. Hij schreef de wonderlijke poëzie die alleen geschreven kan worden door een poëzie-adept die geen epigoon wil zijn omdat hij daar te eigenwijs voor is. In het gedicht Kranten, afkomstig uit een schoolschrift van 1949, had hij het al over

een enkling slechts die een [krant] voor

'n bericht dat hem betrof 'n poos

bewaart

– en dat `enkelingschap' blijft terugkomen in zijn gedichten. Hij voelt zich een balling in eigen gebied (de titel van de bundel heeft hij zelf nog vastgesteld, blijkt uit het nawoord), er is ook telkens weer het verlangen naar ballingschap en naar een eigen weg, een derde weg die hem weinig uitkomst biedt –

Ik werd een weg die ik niet had voorzien

ingedreven,

verschrikkelijker dan iemand ooit

kon dromen

en waar men ook niet meer op

terug kan komen

en die nergens naar voert

– en uiteindelijk is er de wens, herhaaldelijk geuit, om `opgeheven te worden'. Het mooist komt die wens tot uiting in het gedicht De meeuwen –

Ik volg de meeuwen

in hun snelle vlucht

en verlang ineens

opgeheven te worden

en de eeuwigheid

binnen te vliegen.

Het is, blijkens de chronologie, een van de laatste gedichten voor zijn dood. Hij moet zich wanhopig hebben gevoeld, deze Jak van der Meulen, de man die zijn tijd ver vooruit was, waarna de tijd zich tegen hem keerde. De man die zo graag had willen samenvallen met zijn tijd. Wij zijn in elk geval een bijzondere minor poet rijker.

Kranten

Kranten raken weg en worden ouder naar hun aard

in vuilnisbakken of verscheurd op één formaat

voor de w.c.

Men ziet ze eerst nog in de straten liggen of

men pakt ermee

een enkling slechts die een voor 'n bericht dat

hem betrof 'n poos bewaart.

Later ziet men nog stukken in de grachten drijven

Een man achter een raam die ernaar staart

en denkt: hoe doelloos was dit alles, nu liggen

in de vaart

al die berichten, geen staatsmanswoord eruit dat

zal beklijven.

Jak van der Meulen (1928-1998)