Kosovo kan stabiele factor worden op Balkan

De verkiezingen die zaterdag in Kosovo plaatshebben, kunnen rust in het gebied brengen met een stabiele uitstraling op de hele regio. Maar dan moeten de Servische Kosovaren de geboden kansen wel benutten, vindt Daan Everts.

Kosovo moet zich wederom bewijzen. Zaterdag worden er de eerste vrije en democratische parlementaire verkiezingen ooit gehouden. Anders dan bij de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar doen nu alle etnische bevolkingsgroepen mee, ook de Servische en Turkse Kosovaren; 26 partijen dingen naar de gunst van de 1,2 miljoen kiesgerechtigden. 100 zetels worden proportioneel verdeeld. Een extra 20 zetels kunnen alleen door minderheidspartijen worden gewonnen. Dit laatste garandeert de niet-Albanese bevolkingsgroepen, ongeacht hun opkomst, een minimale vertegenwoordiging (10 zetels voor de Servische en 10 voor andere minderheden). Een royaal gebaar van de kant van de Albanese Kosovaren die meer dan 80 procent van de bevolking uitmaken.

Behalve voor minderheden heeft de OVSE (Organisatie voor Vrede en Samenwerking in Europa), die de verkiezingen heeft voorbereid, zich ook sterk gemaakt voor een politieke rol voor de vrouw in Kosovo. Alle partijen hebben zich ertoe verplicht, na uitoefening van enige zachte drang weliswaar, dat tenminste elke derde kandidaat op hun lijst een vrouw is. Gezien het traditionele machokarakter van de politiek op de Balkan, zal dit het politieke klimaat ingrijpend beïnvloeden en, naar verhoopt, verbeteren.

Het gaat bij deze verkiezingen om zelfbestuur en substantiële autonomie, zoals is beloofd in VN-resolutie 1244 – de basis voor de internationale aanwezigheid in Kosovo. Op 17 november wordt een assemblee gekozen, die vervolgens een (voornamelijk ceremoniële) president en regering kiest. Deze nieuwe instituties zullen gezamenlijk een belangrijk deel van de bevoegdheden van het VN-bestuur overnemen. Het zelfbestuur kent een voorlopig en beperkt karakter. De volksvertegenwoordiging wordt gekozen voor drie jaar. Gevoelige terreinen zoals veiligheid, rechtspraak en buitenlandse betrekkingen blijven het exclusieve domein van VN-bestuur. De staatkundige status van Kosovo is daardoor niet in het geding. Dit blijft voorbehouden aan latere, internationale onderhandelingen.

De toezegging van de Verenigde Naties het vraagstuk van de uiteindelijke status van Kosovo naar de toekomst te verschuiven, heeft er mede toe geleid dat de regeringen van de Servische Republiek en de Joegoslavische Federatie hun steun aan de verkiezingen hebben gegeven. Een beslissing waaraan een langdurig en moeizaam onderhandelingsproces vooraf is gegaan. Pas twaalf dagen voor de verkiezingen gaven de politieke leiders in Belgrado na een intense nachtelijke zitting hun fiat. Het alternatief: opnieuw de verkiezingen boycotten, werd uiteindelijk als het grotere kwaad terecht van de hand gewezen.

Niettemin blijft een grote, spraakmakende groep onder de Kosovo-Serviërs falikant tegen deelname. Zij wensen het internationale beleid in Kosovo niet te legitimeren. Dit beleid heeft tot nu toe weinig voor de Servische minderheid opgeleverd. Tweederde van de Servische Kosovaren bevindt zich, twee en een half jaar na de oorlog, nog steeds in Servië en Montenegro. Voor de nog in Kosovo verblijvende Serviërs zijn de levens- en werkomstandigheden bedroevend. De parlementaire weg tot verbetering van deze situatie biedt volgens deze Servisch-nationalistische `hardliners' geen oplossing. Men wil eenvoudig de klok terugdraaien en herinlijving in Servië. Net als hun ideologische broeders in Servië, Kroatië en Bosnië lijken zij liever hun hand te overspelen dan zich aan de nieuwe werkelijkheid aan te passen.

De Albanese Kosovaren kijken uiteraard veel positiever tegen de verkiezingen aan. Voor hen gaat het, minimaal, om herstel van het zelfbestuur dat zij in de jaren zeventig en begin tachtig genoten voordat daaraan door met name Miloševic een radicaal einde werd gemaakt. Tien jaren van apartheid volgden, met de Albanezen in de rol van tweederangsburgers.

Is het vooruitzicht van `voorlopig en beperkt zelfbestuur' voldoende om de drang naar onafhankelijkheid onder deze bevolkingsgroep te matigen? Het antwoord luidt eenduidig nee. Niettemin is er voldoende werkelijkheidszin te bespeuren onder de Albanese Kosovaren en hun politieke leiders om aan te nemen dat zij deze kwestie niet zullen willen forceren. Men beseft dat dit de absoluut noodzakelijke goodwill en steun van de Europese Unie en Amerika zou verspelen.

Als onafhankelijkheid niet aan de orde is, wat dan wel? De ware inzet van de verkiezingen is de opbouw van een in hoge mate zelfbesturende, democratische samenleving met dezelfde bestaansmogelijkheden voor alle bevolkingsgroepen. Het vertrouwen in de overheidsinstellingen, zo diep geschokt onder het vorige regime, dient te worden hersteld. De grote vraag is of de gekozen parlementaire partijen onderling, en over de etnische grenzen heen, constructief kunnen samenwerken. Ook de samenwerking tussen de toekomstige Kosovaarse regering, zonder bestuurlijke ervaring, en het internationale VN-bestuur, gewend aan zijn bevoogdende rol, zal op de proef worden gesteld.

In de verkiezingscampagne hebben de belangrijkste voormannen zich correct aan de spelregels gehouden, jegens elkaar, andere etnische groeperingen en jegens de internationale gezag. Het veranderde internationale klimaat, als gevolg van de terroristische aanslagen, heeft een sterk matigende invloed uitgeoefend. De wens om door Europa te worden geaccepteerd en in de Euro-Atlantische structuren te worden ingepast, blijkt overduidelijk uit alle partijprogramma's en is een steeds herhaald refrein in alle beleidsuitspraken. Wat dat betreft is er geen verschil tussen de grote drie: de meer passieve pacifist Rugova en de activistische, voormalige UÇK-leiders Thaci en Haradinaj. Persoonlijk prestige en charisma zullen hun electorale krachtsverhouding bepalen.

Als de Servische Kosovaren inderdaad de geboden kans benutten om, dankzij de gegarandeerde extra zetels, een van de grootste partijen in de assemblee te worden, dan zal coalitievorming noodzakelijk zijn. Dat zal een gematigde regeringskoers bevorderen. Daarenboven blijft sprake van een weliswaar gereduceerde, maar nog altijd kardinale rol van het VN-bestuur. Dat tezamen geeft reden tot hoop dat Kosovo, in de turbulente Balkan, zo niet een oase van rust dan toch een gebied kan worden dat de stabiliteit in de regio in de komende jaren eerder bevordert dan bedreigt.

Daan Everts is ambassadeur van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in Kosovo.