Komende recessie is straf op de zonde

Elke economie krijgt de recessie die zij verdient. Bij wat de Nieuwe Economie werd genoemd hoort de Nieuwe Recessie: de pijn van het wegwerken van de enorme overinvesteringen van de afgelopen vijf jaar.

Gaan we haar bevechten, of moeten we haar accepteren? Hoe om te gaan met de dreigende, wereldwijde recessie dat wordt de belangrijkste vraag die de internationale financiële en economische gemeenschap de komende tijd moet beantwoorden.

Dit weekeinde worden de jaarvergaderingen van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank gehouden in het Canadese Ottawa, samen met de vergadering van de zogenoemde G20 – een groep belangrijke landen die zich buigt over de stabiliteit van de wereldeconomie. De terugvallende groei en de remedie daartegen staan hoog op de agenda.

De urgentie is groot. Het jaar 2002 wordt, als het tegenzit, het beroerdste jaar voor de wereldeconomie sinds begin jaren tachtig, en de aanslagen van 11 september hebben de vooruitzichten er niet beter op gemaakt. Niet alleen is het karakter van de huidige neergang anders dan dat van vorige conjunctuurdalen. Ook het feit dat de groei wereldwijd tegelijkertijd vertraagt draagt bij aan het venijn.

Wie naar de jongste prognoses uit de banksector kijkt kan niet anders dan somber zijn: volgens de Amerikaanse zakenbank JP Morgan groeit de Amerikaanse economie volgend jaar nog maar 0,2 procent, de euro-economie 0,6 procent en krimpt de Japanse economie met 1,6 procent. In harde valuta gemeten zijn deze drie blokken goed voor zo'n 75 procent van het mondiale bruto binnenlands product. Driekwart van de wereldeconomie is dus aan het stagneren en vanochtend werd duidelijk dat ook de Nederlandse economie krimpt.

De vraag wat daartegen te doen hangt nauw samen met de diagnose van het probleem. Trefwoord: overinvesteringen. De jaren negentig kenmerkten zich door een versnellende commerciële toepassing van nieuwe technologieën. De opkomst van internet, de snelle verspreiding van de personal computer, nieuwe netwerktechnologie en bovenal het exploderende gebruik van mobiele telefonie hebben samen gezorgd voor een investeringsgolf die zijn weerga niet kende. In de tweede helft van de jaren negentig groeiden volgens de zakenbank Morgan Stanley de Amerikaanse investeringen twee keer zo snel als de economie zelf.

Het financieren van al die nieuwe productiecapaciteit verliep probleemloos. Anticiperend op de inflatiedrukkende werking van de nieuwe technologie, die de productiviteit duurzaam zou opstuwen, werd de rente lager gehouden dan voorheen. [Vervolg RECESSIE: pagina 14]

RECESSIE

ZONDEVAL

Kunstgrepen voor herstel van economie raken op

[Vervolg van pagina 1] De aandelenkoersen liepen steil op, door enerzijds de lage rente en anderszijds de hoge verwachtingen van toekomstige winsten. Zowel schulden (obligaties) als eigen vermogen (aandelen) waren voor een prikje te krijgen.

Wát precies de omslag van ongebreideld optimisme naar groeiend wantrouwen in de zomer van 2000 heeft veroorzaakt is niet meer aan te wijzen. Het kunnen de absurde prijzen zijn geweest die de Europese telecomsector bereid was te betalen voor derde-generatietelefonielicenties. Het kan de omslag op de effectenbeurzen zijn geweest, waar de Nasdaq-index nu nog maar een derde waard is van zijn piek anderhalf jaar geleden. Of het kan het opraken van de eenmalige kunstgrepen zijn geweest waarmee grote bedrijven de groei van hun winst per aandeel oppepten.

Feit is dat de investeringsgolf is blijven luisteren naar een oude wet: hoe meer capaciteit er komt, hoe minder rendement die oplevert. De overcapaciteit in de industrie is na jaren van overinvesteringen enorm. De reactie is een investeringskrimp. In de VS vallen de investeringen dit jaar al met 3,6 procent terug, en dalen volgend jaar met 6,2 procent. Ook in Europa krimpen de dit en volgend jaar de investeringen, zij het op bescheidener schaal.

In het kielzog van de hausse volgde destijds een baaierd van sectoren: niet alleen de grote industriële namen als Cisco, Nokio, Nortel of Philips profiteerden. Of dienstverleners als telecombedrijven Vodafone of KPN. Samen trokken ze een sliert van industriële toeleveranciers en aanhangende dienstverleners: reclamemakers (en dus ook de media waarin geadverteerd werd), consultants, zakenbankiers, effectenhandelaren en financiële adviseurs die meelifften op de stijgende beurskoersen. Tot en met de Hypotheker om de hoek, die de beleggingshypotheken afsloot.

Nu draait de film achteruit. De industriële productie daalt volgend jaar zowel in Europa als in de VS. Toeleveranciers zijn al gevolgd. De neergang van de dienstverleners is, zo blijkt uit de purchasing managers indices voor de VS en Europa, een paar maanden geleden op gang gekomen. De werkgelegenheid daalt met enige vertraging. De aandelenkoersen zijn in de tussentijd gemiddeld meer dan 20 procent gekelderd.

De ontwikkelingen zouden moeten leiden tot een tweestrijd onder beleidsmakers. De eerste reflex is om met lagere rentes en expanderende overheidsuitgaven de oprukkende recessie te lijf te gaan. Niet alleen vanuit het idee dat dat de medicijnen zijn die de economie nodig heeft.

Electoraal telt de werkgelegenheid zwaar: geen zittende regering kan zich een al te hoog oplopende werkloosheid permitteren. En ook de beurskoersen maken, sinds steeds meer particulieren zijn gaan beleggen, integraal deel uit van de feel good-factor die de stemming onder het publiek bepaalt.

Anderzijds is een recessie op basis van overinvesteringen vrijwel onmogelijk te bestrijden. De overcapaciteit moet simpelweg worden afgeschreven, en vooral niet kunstmatig in stand worden gehouden met lage rentes en opgeklopte vraag. Het voorbeeld Japan laat zien wat er gebeurt met pappen en nathouden: een veel langer dan noodzakelijke periode van ondermaatste economische groei.

    • Maarten Schinkel