Historische schatten op de zeebodem

Vlak bij de kust bevinden zich scheepswrakken van duizenden jaren oud. Over de bescherming van het erfgoed wordt nog flink gesteggeld.

Achter de Nederlandse duinen ligt een enorm bodemarchief. ,,De Zeeuwse voordelta en de Waddenzee zijn potentieel de belangrijkste gebieden op de Noordzee voor onderwaterarcheologie. In de Zeeuwse voordelta bestaat een grote kans dat je nog schepen uit bijvoorbeeld 3.000 of 4.000 jaar voor het begin van onze jaartelling aantreft'', zegt Thijs Maarleveld, onderdirecteur van het Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwaterarcheologie (NISA) in Lelystad.

De Noordzee is ongeveer 8.000 jaar oud, en verbreedde zich langzaam in de eerste paar duizend jaar van zijn bestaan. Waar nu zee is, bijvoorbeeld boven de bekende Doggersbank, en uiteraard dichterbij de huidige kust, woonden ooit jagers en verzamelaars. Nabij de kusten bevinden zich bovendien vele duizenden wrakken, uit het verre en het jongere verleden, die archeologisch van grote betekenis kunnen zijn.

Maarleveld: ,,Twintig of dertig jaar geleden had de overheid weinig oog voor de archeologische waarden in gebieden onder water. Maar dat is veranderd. Bij het denken over het gebruik van de Noordzee, zoals eventuele ruimtelijke ordening, wordt ook met de archeologische betekenis rekening gehouden. Een keerpunt kwam bij de aanleg van het Oostvoornse meer. Daar is toen diep gebaggerd. In de dijkwand van het meer ontdekten sportduikers later een dozijn scheepswrakken, onder andere uit de zeventiende en achttiende eeuw. Ook bij de aanleg van De Slufter, de stortplaats voor zwaar verontreinigd slib en bagger op de Maasvlakte, is eerst historisch-geologisch onderzoek uitgevoerd en een milieu-effectrapportage (MER) gemaakt. Als de tweede Maasvlakte wordt aangelegd, zullen wij als NISA worden ingeschakeld voor archeologisch onderzoek als een interessante vondst wordt gedaan.''

Het NISA heeft veel profijt van de samenwerking met groepen sportduikers die op de Noordzee duiken. Van deze zogenaamde varende duikers is ongeveer 95 procent aangesloten bij de Stichting Maritiem Onderzoek Nederland (Stimon), die in 1977 is opgericht. Maarleveld: ,,Sportduiken op zee kwam in de jaren zestig op. In de jaren zeventig, toen men van alles vond, besloten deze sportduikers mee te werken aan archeologisch onderzoek onder water. In die jaren werd 80 procent van de vondsten aan het NISA gemeld, nu is dat iets minder, zo'n 70 procent.''

Voorzitter van de Stimon is Arie Visser (60), een duiker die met een aantal anderen vanaf het schip de Pluvier zijn sport beoefent op de Noordzee. ,,Als we iets bijzonders vinden, zoals houten wrakken, halen we Maarleveld erbij'', zegt Visser die in 1970 zijn eerste wrakduik op zee maakte. Hij schat dat zo'n duizend mensen regelmatig duiken op de soms gevaarlijke Noordzee, waar het zicht onder water door baggerdeeltjes ernstig vertroebeld kan zijn. ,,Het is onze hobby en we betalen alles zelf, wat handig is voor het NISA dat een beperkt budget heeft. En wij hebben goede kennis van de zee, navigatie en hoe het er onder water uitziet.''

Visser beklemtoont dat sportduikers wrakken niet plunderen, zoals vooral in het buitenland regelmatig wordt beweerd. ,,Het grootste gevaar voor onderwaterarcheologie is de boomkor die vissers op platvis gebruiken en waarmee de zeebodem wordt omgeploegd. Vissers halen vaak allerlei dingen op, veel hout van wrakken, stukken ijzer en af en toe een kanon. Een bronzen 24 ponder uit 1654 die een Zeeuwse visser begin deze zomer uit zee ophaalde, kan gemakkelijk zo'n 35.000 gulden opbrengen'', aldus Visser. De grootste tastbare vondsten in zijn huiskamer zijn een koperen plaat van de telegraaf van een Duitse onderzeeër uit de Eerste Wereldoorlog en een deel van een periscoop van een andere Duitse U-Boot.

Over bescherming van het archeologisch erfgoed op de zeebodem wordt binnen UNESCO, de VN-organisatie voor wetenschap, cultuur en onderwijs, al jaren gepraat. Tot nog toe zonder resultaat. Maarleveld: ,,Veel landen willen het beginsel van de vrije zee niet belasten met meer macht voor de kuststaten. Men is het wel eens dat het plunderen van wrakken, zoals in de Middellandse Zee herhaaldelijk is gebeurd, voorkomen moet worden. Maar over de verdeling van bevoegdheden bestaat nog steeds onenigheid. Daar komt bij dat verschillend wordt gedacht over de culturele betekenis van bijvoorbeeld wrakken. In Australië worden schepen uit de periode van de grote migratie tussen 1830 en 1850 als belangrijk erfgoed beschouwd. In het Verenigd Koninkrijk gelden gezonken oorlogsbodems waarbij zeelui aan boord zijn omgekomen, als oorlogsgraf dat niet betreden mag worden.''

Arie Visser van Stimon vindt de Britse bezwaren tegen duiken op wrakken van (Engelse) oorlogsschepen niet altijd terecht. ,,Voor de Nederlandse kust liggen wrakken van drie Engelse kruisers die tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn gezonken. Daarbij kwamen destijds 1.400 man om, meer dan bij de Titanic. In de jaren vijftig sloot de Britse regering een contract met de Hamburgse firma Stahl & Eisen om koperen en bronzen onderdelen van deze schepen te slopen. De Britse autoriteiten zijn dus niet consequent'', concludeert Visser.

De sportduikers hebben ook een bijdrage geleverd aan de kennis van de Nederlandse oorlogsgeschiedenis. In maart 1940, vlak voor de Duitse invasie, verdwenen drie kleine Nederlandse koopvaardijschepen, met in totaal 52 opvarenden, op de Noordzee, slechts enkele uren varen van de kust. Pas na afloop van de oorlog werd duidelijk dat de drie koopvaarders waren getorpedeerd door twee kleine Duitse onderzeeërs die op de Noordzee opereerden. Visser en de andere sportduikers van het ms. Pluvier vonden na tien keer duiken op een onbekend wrak een scheepsbel. Na langdurig onderzoek bleek die bel te behoren tot het 1.965 ton metende stoomschip Vecht, een van de drie schepen die rond 7 maart 1940 spoorloos waren verdwenen.