Het succes van de zachte aanpak

In de vorige eeuw werd de zee met `harde' kustweringen buiten gehouden. Nu is de trend om de natuur zelf te gebruiken om de zee te keren.

De natuurlijke grens tussen het Nederlandse vasteland en de zee heeft een totale lengte van ruim 350 kilometer, waarvan iets meer dan zeventig procent uit duinen bestaat. Het resterende gedeelte, waaronder de zeedijken, is aangelegd. De duinkust is geen statisch geheel. Wanneer de mens niets zou ondernemen, zouden door de wind en golven langzaam maar zeker delen van het kustgebied verdwijnen.

Om dat te voorkomen is van oudsher sprake van de een of andere vorm van kustbeheer. Het gebruik van hulpmiddelen speelde hierbij in de vorige twee eeuwen een grote rol. Zo stelde de negentiende-eeuwse ingenieur J.F.W. Conrad als zeewering het paalwerk centraal: ,,De sleutel der geheele zeewering is het paalwerk, en zoowel de onderdeelen daarvan, als de voorliggende berm en de achterstaande kisting moeten dus doelmatig en krachtig worden zamengesteld, opdat het behoud van dit bolwerk niet twijfelachtig wordt.''

Tot ver in de vorige eeuw was het gebruikelijk de zee te beteugelen door hoge zeedijken te bouwen, land in te polderen en zeearmen af te sluiten. In 1990 ontstond echter een kentering in deze wijze van kustbeheer. De hoge kosten en het besef dat deze aanpak ten koste gaat van natuurwaarden en de dynamiek van de kust waren doorslaggevende argumenten voor een andere benadering.

In plaats van harde maatregelen kwam begin jaren negentig de trend om op een zachte manier de zee te keren. ,,Zacht waar het kan, hard waar het moet'', zo vat ir. J. H. Vroon van het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) de omslag in het beleid samen. ,,In feite komt dat neer op het gebruik van zand als beschermend middel. De kustlijn van 1990 is toen gedefinieerd en geldt sindsdien als uitgangspunt. Jaarlijks toetsen we hoe de kustlijn van dat moment ligt ten opzichte van de basislijn.''

Het bepalen van de kustlijn gebeurde vroeger aan de hand van de laagwaterlijn. Een bezwaar hiervan is dat dit slechts een momentopname levert. De tegenwoordig gehanteerde methode gebruikt niet de laagwaterlijn, maar een zogenaamde `momentane kustlijn', een combinatie van de ligging van de laagwaterlijn met een bepaald volume aan zand ter hoogte van de laagwaterlijn. Door deze berekening hebben toevallige momentane fluctuaties minder invloed. Metingen uit vliegtuigen met behulp van laser en vanaf boten zorgen voor de benodigde rekengegevens.

Op basis hiervan ontstaat een overzicht dat aangeeft welk gedeelte van de kust versterking behoeft. Hoppervaartuigen spuiten vervolgens voor dit doel zand op het strand. De wind verplaatst dat zand daarna naar de duinen. Het zand voor de suppletie komt uit gedeeltes van de Noordzee die ten minste twintig meter diep zijn. Bij deze zogenoemde morfologisch inactieve zone heeft de zandwinning geen directe gevolgen voor de kust.

Wanneer op een bepaalde plek zandsuppletie nodig is, vindt eerst uitgebreide discussie plaats met de provincie, het waterschap en betrokken gemeenten, vertelt RIKZ-medewerker Vroon. ,,Voor een kustplaats is het van groot belang dat het toerisme zo min mogelijk onder de maatregelen te lijden heeft. De gemeentes letten vooral op de strandbreedtes, terwijl Rijkswaterstaat de veiligheid moet bewaken. Uit dat overleg kan voortkomen dat het suppleren buiten het badseizoen gebeurt. Tegenwoordig vindt het suppleren steeds meer onder water plaats. Dit werkt even goed, is goedkoper en het verstoort het toerisme minder.''

De zachte aanpak lijkt goed te werken. In het begin week 35 procent van de kustlijn af van het in 1990 genormeerde kustprofiel, tegenwoordig is dit slechts 10 procent, een acceptabele afwijking volgens Rijkswaterstaat. ,,Tot 1990 ging er jaarlijks door structurele erosie ongeveer 20 hectare duingebied verloren. Dit betrof voornamelijk natuurlijk duin, maar ook de kustplaatsen verloren tot 1990 op gezette tijden terrein aan de zee. Sinds 1990 is er geen structureel verlies van land opgetreden'', valt te lezen in de eind vorig jaar gepubliceerde Derde Kustnota, waarin de regering zijn standpunt ten aanzien van de kust weergeeft.

De keuze van Rijkswaterstaat om meer accent te leggen op `natuurlijke' bescherming valt samen met een langgekoesterde wens van milieugroeperingen. In 1996 presenteerde het Wereld Natuur Fonds (WNF) zijn plan Meegroeien met de Zee, dat veel kritiek bevatte op het oorspronkelijke uitgangspunt van Rijkswaterstaat om een gefixeerde kustlijn te handhaven. ,,Door fixatie van de kustlijn, inpoldering van kwelders, drooglegging van venen, afdamming van estuaria en gaswinning hebben we onszelf in een kwetsbare positie gemanoeuvreerd'', aldus de nota.

Twee jaar later kwam het WNF met Nieuw Rotterdams Peil, een concrete uitwerking van de visie in Meegroeien met de zee. ,,In de basis vertoont de visie van het WNF veel overeenstemming met ons beleid'', aldus Vroon van het RIKZ, ,,want door de zachte benadering leg je je niet voor vijftig jaar vast. Je stuurt mee, het hele systeem beweegt.''