Helder musicoloog

De musicoloog en componist Marius Flothuis, die dinsdag op 87-jarige leeftijd in Amsterdam aan leukemie overleed, was ruim een halve eeuw een boegbeeld van het Nederlandse muziekleven. Hij was bijna twintig jaar artistiek leider van het Concertgebouworkest, acht jaar professor in Utrecht en tot zijn dood actief in allerlei functies.

Flothuis – `Flot' voor intimi – was wereldberoemd als Mozartdeskundige. Jarenlang (1980-'94) was hij leider van het Zentralinstitut für Mozartforschung in Salzburg. Hij was er verantwoordelijk voor de Neue Mozartausgabe. Een eerste vrucht van zijn Mozartstudie was in 1941 al een verbeterde uitgave van het door Mozart onvoltooid achtergelaten Requiem. Hij schreef ook cadensen bij een aantal pianoconcerten van Mozart. Bijna zeventig jaar werkte hij aan een oeuvre van meer dan honderd composities. Zijn componeren, schrijven en opinies blonken uit door hun helderheid.

Marius Hendrikus Flothuis, geboren op 30 oktober 1914 in Amsterdam, studeerde piano, muziektheorie en musicologie. In 1969 promoveerde hij op een proefschrift over Mozarts arrangementen van eigen werken en die van andere componisten.

Op zijn 23ste werd Flothuis in 1937 directie-assistent bij het Concertgebouworkest. Wegens een controverse met directeur Rudolf Mengelberg nam hij in het voorjaar van 1940 ontslag. Na de Duitse inval werd hem gevraagd te blijven, maar toen hij in 1942 lid moest worden van de Kultuurkamer vertrok hij. Een deel van de oorlog bracht Flothuis, getrouwd met een half-joodse, door in kamp Vught. ,,Onze ziel verlangt naar schoonheid, onze geest streeft naar vrijheid, ons noodlot is vergankelijkheid, ons wachtwoord is gelatenheid'', schreef hij daar.

Na de oorlog werkte Flothuis bij Donemus, de uitgever van Nederlandse muziek, en als muziekcriticus van Het Vrije Volk, voor hij terugkeerde naar het Concertgebouworkest. Van 1955 tot 1974 was hij artistiek directeur, ten tijde van Van Beinum en Haitink.

Bij het Concertgebouworkest was Flothuis kampioen van weinig gespeelde werken en toonde hij een sterke voorkeur voor het Franse repertoire. Nog recentelijk werd hij vice-voorzitter van de Stichting Pierre Boulez. Flothuis ergerde zich aan de huidige programmering van de orkesten. ,,Symfonische muziek uit de Latijnse landen wordt verwaarloosd, een componist als Sjostakowitsj staat volop in de belangstelling. Onbegrijpelijk!'', zei hij dit jaar in deze krant.

Andere muziekstukken die Flothuis verachtte waren Ein Heldenleben van Strauss en Carmina Burana van Orff. ,,Kort na de oorlog fluisterde een vriend mij tijdens een uitvoering in het oor: `Marius, ik hoor steeds maar die laarzen achter mij.' Dat zegt alles.'' Na John Adams' Grand Pianola Music, in 1982 gespeeld door het Concertgebouworkest, riep hij krachtig: `Boe!'. Streng en principieel was Flothuis, maar verre van benepen. In zijn Utrechtse oratie pleitte hij voor wetenschappelijke studie van de lichte muziek.

Flothuis' persoonlijke voor- en afkeuren hebben grote invloed gehad op het Amsterdamse muziekleven. Nog steeds heeft het Concertgebouworkest niet alles van Sjostakowitsj gespeeld. Hij haalde Harnoncourt naar Amsterdam voor de definitieve schoonmaak van de Amsterdamse Matthäus-stijl. Flothuis liet werk uitvoeren van componisten als Luciano Berio, György Ligeti en Witold Lutoslawski. De Notenkrakers, de componisten die in 1969 een verdere vernieuwing en modernisering van het artistieke beleid van het Concertgebouworkest wilden, werden door Flothuis verfoeid. Zijn componeren lag vier jaar stil, omdat hij de acties van de medekunstenaars ervoer als een aanval op hemzelf.

De muziek van Flothuis – hij componeerde in alle genres behalve opera – is te typeren als `slank', met compactheid, precisie en een beheerste omgang met de middelen als vaste kenmerken. Naar eigen zeggen stond Flothuis aanvankelijk sterk onder invloed van Bertus van Lier, een leerling van Willem Pijper. Pas in de jaren '60 durfde hij zijn intuïtie te volgen. ,,Bernard Haitink zei na een uitvoering van één van mijn orkestliederen: `Flot, er staat geen noot te veel in.' Dat is voor mij het mooiste compliment.''

Marius Flothuis functioneerde tot op het laatst in het muziekleven. Hij was voorzitter van de Mahlerstichting, publiceerde toelichtingen, schreef ingezonden brieven en bezocht concerten. In mei van dit jaar droeg de pianist Robert Levin de uitvoering van Mozarts Pianoconcert in C (KV 467) in het Amsterdamse Concertgebouw aan hem op. Zijn muziek wordt gespeeld, onlangs nog Cantus amoris door het Limburgs Symphonie Orkest. En de Nederlandse Bachvereniging maakte in oktober een tournee met zijn vijftig jaar oude bewerking van Mozarts Requiem.

    • Kasper Jansen