Euthanasie kan voor mij geen optie zijn

Levensbeëindigend handelen is voor Ignace Schretlen geen onderdeel van professioneel medisch handelen. Het verwijt een patiënt in de steek te laten, komt echter hard bij hem aan.

Tijdens een bijscholing over terminale zorg komt `het spuitje' ter sprake. Er wordt onder de groep van tien huisartsen geturfd, hoeveel ervaring men hiermee heeft. Ik ben één van de twee aanwezigen, die nog nooit op deze wijze euthanasie heeft toegepast. Mijn antwoord leidt tot meewarige blikken. Hetzelfde herhaalt zich tijdens een workshop van de KNMG. Een medisch studente reageert verontwaardigd: ,,Dan laat u patiënten wel mooi stikken!''

Gelukkig komt deze kritiek zelden van eigen patiënten, die mij inmiddels beter kennen, maar wel van familieleden, die soms zelfs telefonisch euthanasie voorstellen. Omdat alleen een arts de patiënt `uit het lijden kan verlossen', word je met deze kritiek vaak ook voor dat lijden verantwoordelijk gesteld.

Tijdens een bijeenkomst met huisartsen geeft een collega aan ná een euthanasie een `kick' te krijgen, die hem enkele dagen een gelukzalig gevoel bezorgt.

De meeste collegae ervaren dat stellig anders. Toch ligt tussen het zorgvuldig gevoerde politieke debat over euthanasie, met respect voor uiteenlopende standpunten, en de werkvloer een wereld van verschil. Wanneer je als huisarts niet meegaat met de trend tot levensbeëindigend handelen, loop je het risico om binnen de beroepsgroep als een lastige outsider te worden beschouwd.

Het gevoel dat je een patiënt in de steek laat, wanneer je geen toezeggingen durft te doen over euthanasie, speelt inderdaad. Ik ben geen principiële tegenstander van euthanasie en beroep mij ook nooit op de `principiële bezwaren' die de KNMG in dit kader naast `situatie-gebonden bezwaren' onderscheidt en erkent. Als ervaren huisarts heb ik weet van de verschrikkingen die zich in het terminale stadium kunnen voordoen. Ik ben bewust bij het overlijden van enkele patiënten aanwezig geweest en voelde mij hierbij soms heel nietig en machteloos.

Ik heb nooit begrepen, waarom de integere motieven om in Nederland euthanasie bespreekbaar en uitvoerbaar te maken níet direct al hebben geleid tot een vitale impuls van de palliatieve zorg.

Er is geen domein binnen de geneeskunde, waarin de arts zo álle aspecten van zijn beroep kan ontplooien. Maar de in álle opzichten slecht bedeelde palliatieve zorg loopt in Nederland jaren achter. In plaats van álle handen inéén te slaan lijkt er nu op deze `markt van de pijnbestrijding' een soort concurrentieslag te ontstaan. Toch zal zelfs met maximale palliatie een sterfbed nooit zonder lijden kunnen verlopen. Ook die realiteit moeten wij kunnen en durven aanvaarden.

Levensbeëindigend handelen beschouw ik niet als onderdeel van professioneel medisch handelen, omdat het in mijn gevoel onlosmakelijk is verbonden met de fundamenten van mijn eígen mens-zijn. Dat geldt trouwens ook voor veel collegae die bereidwilliger tegenover euthanasie staan. Hun houding blijkt uiteindelijk vaak bepaald te worden door aangrijpende, persoonlijke ervaringen uit het verleden.

Dergelijke gebeurtenissen zijn voor mij echter tot nu toe een reden geweest om het toedienen van een spierverlammend middel als euthanaticum te verafschuwen.

Ik baseer mij dus niet op principiële of rationele motieven.

Maar tegenover de schaamte die ik voel, wanneer mij het verwijt treft een patiënt in de steek te laten, staat de overtuiging, dat ik mijzelf fundamenteel verloochen, wanneer ik wel toezeggingen zou doen.

Natuurlijk kan een patiënt ook zelf het euthanaticum innemen. Collegae ervaren dit doorgaans als minder belastend en ook bij mij roept dit minder weerstand op. Hier speelt eveneens een irrationeel aspect. De praktijk heeft echter uitgewezen, dat soms alsnog een injectie noodzakelijk is en die consequentie kan ik niet aanvaarden.

Wanneer men niet tot euthanasie bereid is, moet een andere collega worden ingeschakeld. Ook dát is niet gemakkelijk maar hiervoor heb ik altijd de moeite, de tijd – en één keer ook het geld – over gehad. Weinig artsen blijken echter bereid om een patiënt met een euthanasieverzoek over te nemen. Vier van de vijf keer, dat het mij wel lukte, leidde dit tot onverwacht grote problemen in de relatie tussen de patiënt en de ingeschakelde arts. Overigens kwam het in geen van deze gevallen tot een daadwerkelijke euthanasie.

Ik heb tot nu toe nooit de moed gehad om deze ervaringen te publiceren, want van alle kanten ligt begrijpelijke kritiek op de loer. Maar ik heb mij wel steeds kwetsbaar opgesteld in gesprekken met collegae.

Opvallend vaak ondervond ik weerklank. Maar al jarenlang maak ik mee, hoe de weerstand van artsen om hierover te communiceren tot forse problemen en zelfs wantoestanden met patiënten kan leiden, zowel binnen als buiten het ziekenhuis. Een euthanasie-protocol voorkomt deze problemen niet. Het gaat om een open communicatie met álle betrokkenen.

Deze wordt echter niet gemakkelijker bij verwijten dat een patiënt aan het lot wordt overgelaten; harder kun je als arts niet getroffen worden.

Ignace Schretlen is huisarts en publicist.