Een rampenscenario voor de volle Randstad

De Nederlandse kust is meer dan een natuurgebied. Als de Randstad overstroomt, levert dat een schade op van zo'n 776 miljard gulden.

Overstromingen zijn duur. De watersnoodramp van 1953, waarbij grote delen van Zeeland en Zuid-Holland door de zee werden overspoeld, kostte de Nederlandse overheid in dat jaar alleen al aan noodhulp 860 miljoen gulden. Een bedrag dat omgerekend naar guldens van nu zou uitkomen op zo'n 5,4 miljard gulden.

De werkelijke schade lag nog vele malen hoger, zowel in materieel als in emotioneel opzicht. De combinatie van een zware noordwesterstorm en springvloed zette in die beruchte nacht van 31 januari op 1 februari circa 141.000 hectare grond onder water en zorgde op Nederlands grondgebied voor 1.835 dodelijke slachtoffers en 8.250 totaal vernielde huizen. In totaal werden zo'n 49.000 huizen en boerderijen getroffen en moesten bijna 110.000 mensen in korte tijd geëvacueerd worden. Het duurde maanden voordat de rust in het gebied enigszins was teruggekeerd.

Zou ergens langs de Nederlandse kust nu een vergelijkbare watersnoodramp plaatshebben, dan zou alleen al aan noodhulp een veelvoud nodig zijn van de bovengenoemde 5,4 miljard gulden. In de afgelopen 48 jaar is zowel de bevolking als de economie van Nederland sterk gegroeid, waarbij die toename bovendien geconcentreerd is in de achter de duinen gelegen Randstad. Die ontwikkeling zal de komende decennia voortzetten. Dat betekent dat de schade van een overstroming, zowel uitgedrukt in geld als in slachtoffers, ook steeds groter zal worden.

De Nederlandse overheid is zich bewust van dit toenemende risico. ,,Sinds de jaren vijftig is het bruto nationaal product in laag Nederland (gecorrigeerd voor inflatie) met een factor 6 gestegen en is het aantal te beschermen inwoners met 50 procent toegenomen. De huidige veiligheidsnormen zijn in de jaren vijftig vastgesteld en mede gebaseerd op het toenmalige aantal te beschermen inwoners en geïnvesteerd kapitaal'', schrijft de regering in de eind vorig jaar gepubliceerde Derde Kustnota Traditie, Trends en Toekomst.

De Nederlandse kust staat vanaf twee kanten onder druk. Door de voorspelde klimaatveranderingen kan de zeespiegel versneld gaan stijgen, waardoor er vanuit zee meer en hevigere aanvallen op de waterkering te verwachten zijn. Op dit moment wordt gewerkt met een scenario waarbij de zeespiegel in honderd jaar tijd met 110 centimeter stijgt. In de in 1958 aangenomen Deltawet is vastgelegd hoe groot de kans mag zijn dat een gebeurtenis à la de watersnoodramp nog eens plaatsheeft. ,,Bij ongewijzigd beleid neemt het risico van overstroming van West-Nederland toe van de huidige eenmaal per 10.000 jaar tot eenmaal per 300 jaar. Ook in Noord-Nederland en Zeeland, waar het huidige veiligheidsniveau op eenmaal per 4.000 jaar ligt, zal het risico op overstroming aanzienlijk toenemen'', concludeerde het Centraal Planbureau eind vorig jaar in het werkdocument Ruimte voor water.

Om het risico van overstromingen en doorbraken te verkleinen, zullen op een aantal plekken bredere en sterkere waterkeringen nodig zijn, stelt de Derde Kustnota. Worden de duinen verbreed, dan kost dat echter land dat nu vaak op andere manieren is ingezet, bijvoorbeeld voor woningbouw, bollenteelt of kassen. ,,De grotere druk op de kust blijkt uit een toename van bebouwing in de kustzone. Met name bebouwing van permanente aard kan een obstakel vormen voor een duurzame bescherming tegen overstroming door de zee en voor een zo natuurlijk mogelijke kustontwikkeling. Een versnelde stijging van de zeespiegel maakt dit vraagstuk alleen maar nijpender.''

De rijksoverheid bevindt zich in een lastig parket. Om de veiligheid van de bevolking in de laaggelegen gebieden te garanderen, zou het duingebied uitgebreid moeten worden en zal er paal en perk moeten worden gesteld aan de bebouwing in `risicogebieden'. Die maatregelen staan echter haaks op de behoeften van burgers om te wonen en te recreëren nabij de zee en van (veelal agrarische) bedrijven om gebruik te maken van de achter de duinen gelegen polders.

Anders dan de rijksoverheid zijn lokale overheden vaak geneigd om de bebouwing toe te juichen, omdat men daarmee geld binnen kan halen of de lokale bevolking aan woonruimte kan helpen. Zo kwamen steden als Almere en Lelystad de afgelopen jaren met grote plannen om `buitendijks' te bouwen in het IJsselmeergebied.

Bewoners, bedrijven en beleidsmakers zijn geneigd te denken dat het rond de Nederlandse kust volledig veilig is omdat de rijksoverheid – in de vorm van Rijkswaterstaat – daarop toeziet. ,,Dit is echter een schijnzekerheid; weliswaar wordt de kustlijn gehandhaafd en dus structureel verlies van land voorkomen, maar incidentele schade door afslag bij stormen kan altijd plaatsvinden. (..) Ondanks dit risico is bouwen dicht aan zee populair. Blijkbaar wordt het risico niet meer gevoeld als lange tijd een calamiteit uitblijft of wordt het risico door de eigenaren geaccepteerd. Bij een zeer zware storm zal langs de gehele kust schade door kustafslag optreden. Het rijk wordt al gauw na zo'n calamiteit door de maatschappij verantwoordelijk gesteld, ook al staat elk individu in dit buitendijkse gebied voor eigen risico'', signaleert de overheid zelf in de Derde Kustnota.

Op verzoek van Rijkswaterstaat heeft het Centraal Planbureau vorig jaar de kosten en baten laten berekenen van een grootschalig project om de kustwering te versterken. Dat project zou vooral bestaan uit een verbreding van de duinen aan de Noordzeekust, een ruimtereservering achter de dijken van de Waddenzee en een ontpoldering van een gebied in Zeeland. Het CPB kwam daarbij tot de conclusie dat de verwachte schade van overstroming door de Noordzee in de provincies Zuid- en Noord-Holland geschat kan worden op 776 miljard gulden. Voor het Noorden en Zeeland komt het CPB op bedragen van respectievelijk 113 en 168 miljard gulden. Het verminderen van het overstromingsrisico (tot eens per 10.000 of 4.000 jaar) zal de overheid volgens het CPB zo'n 816 miljoen gulden per jaar kosten en 3,83 miljard gulden aan `gemiddeld vermeden overstromingsschade' opleveren.

Hoewel het Centraal Planbureau naar eigen zeggen een aantal kosten niet in de berekening heeft meegenomen – bijvoorbeeld de schadeloosstellingen voor bedrijven die noodgedwongen moeten verhuizen – is het volgens de rekenmeesters van de overheid evident dat er maatregelen moeten worden genomen om de gebieden achter de Nederlandse kust beter te beschermen. ,,Een project dat een oplossing biedt voor een probleem van een dergelijke majeure omvang als de hiervoor geschetste overstromingsproblematiek in een zeer dichtbevolkte regio is vrijwel bij voorbaat te preferen boven `niets doen'. De relevante vraag is dan niet `of' er iets moet gebeuren, maar veel meer `wat' er moet gebeuren'', aldus het CPB.

    • Marcella Breedeveld