Economie jaagt vogels van hun stek

Ook Nederland moet zich houden aan Europese regels om verloren gegane natuur met nieuwe gebieden te compenseren. In de praktijk komt daar weinig van terecht.

Het is maar goed dat vogels geen last hebben van horizonvervuiling. Althans, de bergeenden in de zandige inham lijken niet onder de indruk van het rauwe industriële panorama. Ginds walmt de aluminiumreus Pechiney. Aan de overzijde van de zeearm dampt de Terneuzense chemiekolos Dow Chemical. En aan de einder glimt het bolle dak van de Borsselse kerncentrale. Ongevoelig voor conjunctuur als ze zijn, slobberen de bruinwitte eenden aan de voet van de Westerscheldedijk bij Fort Rammekens op de Walcherse zuidpunt onverstoorbaar hun zilte kostje bij elkaar.

Waar ook de nijvere strandlopertjes weinig oog voor zullen hebben, is de bestuurlijke uniciteit van dit kleine vogelreservaatje. Het natuurgebied De Rammekensduinen vormt namelijk het enige stukje getijdegebied in deze provincie dat voortkomt uit de overheidsplicht om verloren gegane habitat van dit type te compenseren. De noodzaak hiervan is op dit moment hoog: door het uitdiepen van de vaargeul in de Westerschelde gaan honderden hectares ondiepe, voedselrijke watergebieden verloren.

Volgens Jon Coosen, bij Rijkswaterstaat in Middelburg werkzaam als projectleider Langetermijnvisie Schelde Estuarium, kan het nog lang duren voordat er, na De Rammekensduinen, een nieuw buitendijks areaal `compensatienatuur' komt. ,,De harde werkelijkheid is: we kunnen die eisen niet waarmaken, omdat het heel moeilijk is om nieuwe natuur in de Westerschelde zelf te scheppen.''

Sinds in de jaren negentig de Structuurnota Groene Ruimte verscheen, is de Nederlandse overheid verplicht om natuur die verloren gaat door infrastructurele en economische projecten goed te maken. Die verplichting is kracht bijgezet door de strenge Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Die richtlijn moet garant staan voor een ongeschonden netwerk van leefgebieden in de Europese Unie, ongeveer zoals de Ecologische Hoofdstructuur over heel Nederland is geprojecteerd.

Een paar hectares eikenbos, heide of schraal grasland die verdwijnen door de aanleg van een bedrijventerrein of woonwijk moeten elders, onder verantwoordelijkheid van de overheid, worden aangeplant. Voor natuurgebieden in de kuststrook geldt hetzelfde: een kwelder of duingebied dat moet wijken voor een jachthaven of haveninstallaties, moeten worden gecompenseerd.

Toen Nederland en België in 1995 overeenkwamen dat de vaargeul moest worden uitgediept om de haven van Antwerpen bereikbaar te houden, werd besloten dat het verloren areaal aan ondiep water, slikken en schorren moest worden goedgemaakt. De Commissie-Westerschelde bepaalde dat de maatregelen binnen drie categorieën vielen: buitendijkse en binnendijkse compensatie, en het herstel van kreken. Al deze maatregelen moesten worden getroffen in en rondom de Westerschelde. Er werd 66 miljoen gulden voor vrijgemaakt, tweederde daarvan kwam van de Vlaamse regering.

Volgens de Nederlandse regels mag ook alternatieve `functionele natuur' worden aangewezen als goedmakertje. ,,Alleen als het echt niet anders kan'', heeft minister Netelenbos (Verkeer en Waterstaat) weliswaar gezegd, maar met haar uitspraak heeft ze ruimte gelaten voor halve compensatoire maatregelen. `Brussel' stelt echter dat wat verloren is gegaan volgens het `like for like'-principe kwalitatief en kwantitatief volledig moeten worden goedgemaakt. Intussen is Nederland door de Europese autoriteiten op de vingers getikt wegens het uitblijven van adequate compensatiemaatregelen.

Nederland heeft de kritiek van de Europese Commissie van de hand gewezen. Er zijn nu nog jaren van procedures te verwachten voordat de Europese Unie echt tot sancties kan overgaan. De Westerschelde kan worden gezien als een testcase. Rijkswaterstaat-medewerker Coosen: ,,Niemand weet nog hoe die richtlijn nu precies moeten worden geïnterpreteerd.''

De enige realistische uitweg uit de impasse leek tot op heden het verleggen van Zeeuwse dijken, zodat nieuw getijdegebied zou ontstaan. Maar het `ontpolderen' veroorzaakte een storm van protest in de provincie die in het eigen wapen – een in het water staande leeuw – de zinspreuk voert luctor et emergo (ik worstel en kom boven). Coosen: ,,Laat ik het zo zeggen: de haalbaarheid van `ontpolderen' moet op de korte termijn niet te hoog worden ingeschat.''

De enige resterende opties om (gedeeltelijk) aan de eis tot het creëren van nieuw buitendijks gebied te voldoen, zijn de herinrichting van de veerhavens en tolpleinen bij Kruiningen en Perkpolder. Deze verkeersconstructies worden overbodig als straks de Westerscheldetunnel in gebruik is. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheid om een polder bij Bath een `natuurlijke' bestemming te geven.

De Westerschelde is niet uniek wat betreft de moeite om verloren gegane natuur gelijkwaardig te compenseren. Dat blijkt ook uit de plannen voor de Tweede Maasvlakte. Om het verloren gegane areaal ondieptes goed te maken, is de overheid van plan om, behalve een zeereservaat van 25.000 hectares, ook een `groen bedrijventerrein' in te richten. Op zo'n terrein moeten mensen de mogelijkheid krijgen om een frisse neus te halen in het – tussen de wijd uit elkaar staande kantoorgebouwen – aangeplante bos.

Hoe nu verder? Coosen: ,,We vragen ons af of andere maatregelen dan ontpolderen, dezelfde vogelpopulaties kunnen helpen.'' Zo worden nu al, los van de compensatieplicht jegens de Westerschelde, in het kader van het plan Tureluur op Schouwen-Duiveland, langs de noordkust van de Oosterschelde, vogelgebieden aangelegd. Maar volgens het like-for-like-principe van de Habitat-richtlijn is dit geen optie.

Coosen oppert voorzichtig nog een andere uitweg. In discussies tussen deskundigen uit Europese landen wordt namelijk al eens gesuggereerd dat het zou moeten mogen om ook buiten de landsgrenzen te compenseren. ,,De vogels die langs de Nederlandse kust voedsel zoeken, zitten ook weleens in Engelse estuaria.''