Aardmannetjes en weerwolven

Het veen heeft onze taal verrijkt met gezegden als ,,in het veen kijkt men niet op een turfje'' en ,,turf naar de venen sturen'' (water naar zee dragen). Maar ,,mijl op zeven''? Is die uitdrukking ook met de veenhistorie verbonden?

`Mijl op Zeven' is de naam van het splinternieuwe bezoekerscentrum aan de zuidkant van het Nationaal Park Groote Peel. Eerst was het in een langgerekte, ouderwetse Peelboerderij gevestigd, maar nu is het ondergebracht in een hypermodern gebouw, voorzien van zonnecellen, een turbomolen en een ecologisch dak met vetplanten. Aan de wanden hangen uitvergrote zwart-wit-foto's van de vroegere turfwinning en kleurige opnamen van zonnedauw, lavendelheide, rietgorzen en kraanvogels. In de vloer ligt een helder stroompje ingebed, dat wil aangeven hoe belangrijk water is voor een hoogveengebied.

Wie de lokale situatie niet kent, zal nooit kunnen bevroeden hoe het centrum aan zijn naam is gekomen: vroeger kon een reiziger die uit Deurne vertrok het Limburgse Sevenum slechts via een lus over het dorpje Meijel bereiken. Alleen in zeer droge zomers was het moerasland tussen Deurne en Sevenum begaanbaar. Zo niet, dan was men aangewezen op de zandrug die zich door het zompige veen naar Meijel slingerde. De omweg over Meijel naar Sevenum zou dus aan de basis hebben gestaan van ,,een mijl op zeven''.

Een aardig verhaal. Maar helaas, Stoett, de man van het standaardwerk `Nederlandse spreekwoorden en gezegden', gooit roet in het eten. ,,De mening dat men deze uitdrukking in verband moet brengen met de slingerweg die tussen de dorpen Meijel en Sevenum liep, is onjuist'', luidt zijn strenge oordeel, ,,aangezien de uitdrukking reeds in `Nederlandsche Historien' van Hooft voorkomt, en die weg, indien hij bestond, toch niet zo'n vermaardheid kon hebben dat hij spreekwoordelijk werd.''

Op zijn beurt doet het bezoekerscentrum net of Stoett niet bestaat. Terecht, natuurlijk, want dit stukje streekhistorie is te mooi om te laten schieten. En bovendien hebben wandelaars, voor wie de Groote Peel bestemd is, geen bezwaar om een mijl op zeven te lopen zij maken graag omwegen om zo de mooiste plekjes te kunnen zien.

Ooit was de Peel een onmetelijk groot heide- en moerasgebied dat zich ter weerszijden van de Brabants-Limburgse grens uitstrekte. Pas laat in de 19de eeuw kwam de grootschalige vervening op gang. De hei ging op de schop, het veen werd ontwaterd en afgestoken. Akkers en bossen kwamen ervoor in de plaats. Latere ruilverkavelingen persten alles netjes in egale vakken en percelen. In een aantal restanten Deurnse Peel, Mariapeel, Groote Peel krijgt men nog een indruk van het oude landschap.

Behalve een historisch is de Peel ook een literair landschap. Het werk van auteurs als Antoon Coolen, Toon Kortooms en Ton van Reen is zonder deze streek niet denkbaar. Zij roepen de sfeer op van een onherbergzaam en gevaarlijk landschap, waar het spookt en waar een mens gemakkelijk de weg kwijtraakt. Diep in het venige hart heerst een `gonzende' stilte, zoals Coolen schrijft. In romans als `Het donkere licht' en `Peelwerkers' geeft hij een realistisch beeld van de armoede en ellende in de Peel `Stiefmoeder aarde', maar dan in Brabants dialect. ,,De Peel, ha, ha, de Peel? Wat kan ons nondesatan-de-sakkerju de Peel gat-ver-hier-en-ginder verdomme?'' klinkt het uitdagend uit de mond van een dronken Peelwerker.

Onze tocht begint in Meijel. Wij willen een stuk volgen van het Peellandpad, dat over 160 km van 's Hertogenbosch naar Roermond loopt. En wel een variant die het hart van de Groote Peel doorsnijdt. Dat traject is niet met de bekende rood-witte strepen gemarkeerd, dus wij dwalen op ouderwetse wijze rond tussen moerasplekken, vennetjes, heidevelden en berkenbossen. Gelukkig staat de kerktoren van Meijel steeds als een baken aan de horizon. Aardmannetjes en weerwolven laten het afweten, maar de diepe stilte is er nog.

Hoewel er in de Groote Peel exotisch vee Schotse Hooglanders en IJslandse paarden is uitgezet, weten die zich kennelijk geen raad met het welig groeiende pijpenstro. Allerwegen reflecteert een halmenzee het zalmkleurige licht. Indirect verwijst het strootje naar de varkensmesterijen die het Park omringen en de lucht verzuren. In de open vlakte bieden berken en lijsterbessen steun aan het oog. Hier en daar gaan vluchten kieviten op de wieken. Namen als `Derde Vaartje' en `Tiende Baan' herinneren aan de vervening. Een `baan' was een dijkje tussen het veen waarover de turf werd afgevoerd. Dankzij de dichte begroeiing met varens zijn die banen nog goed in het veld te herkennen. Waar het terrein te nat is, reiken `knuppelbruggetjes' de wandelaar de helpende hand.

Peellandpad (nieuwe editie), LAW 701, 112 pag. ƒ25,34. In bezoekerscentrum `Mijl op Zeven' is tot 1 dec. een expositie over Peelpaddestoelen te zien.

    • Gerrit Jan Zwier