`Kind is geen rem op ambitie moeder'

In Maastricht werken nog minder vrouwelijke hoogleraren dan gemiddeld in Nederland. Ligt dat aan de `dubbele belasting' voor geleerde moeders? Nee, zegt onderzoekster L. Wesseling.

Dat het met de positie van vrouwen aan de Nederlandse universiteiten slecht is gesteld, was bekend. Ze stromen niet door, nemen ontslag en blijven in aantal ver achter bij de mannen. Er studeren weliswaar meer meisjes (54 procent, vooral aan de Letterenfaculteiten) dan jongens, en 42 procent van de assistenten in opleiding is vrouw. Maar zodra ze aan hun carrière beginnen, neemt dat aantal snel af: 21 procent is universitair docent, ruim 8 procent universitair hoofddocent en 5,4 hoogleraar. In Europa doet alleen Oostenrijk het beroerder.

Naar de reden is volop gegist. Een studie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek uit 1998 wijtte het aan de wetenschappelijke cultuur van `nooit vroeger vertrekken dan de professor', die extra zwaar zou drukken op moeders. Volgens het rapport `Talent voor de toekomst, toekomst voor talent', dat minister Hermans in 2000 kreeg, laten vrouwen zich afschrikken door de slechte honorering en een tekort aan onderzoeksfaciliteiten bij het wetenschappelijk onderwijs. Het zou ook kunnen liggen aan de `dubbele belasting' van werkende moeders, een veelgenoemd argument in een serie interviews met vrouwelijke hoogleraren van de Universiteit Utrecht.

Aan dat laatste ligt het volgens cultuurwetenschapper Lies Wesseling juist niet. Morgen verschijnt haar onderzoek Geleerde Moeders. Zij interviewde 32 vrouwelijke academici van alle zeven faculteiten van de universiteit Maastricht. Conclusies: voor deeltijdwerkers zijn kinderen geen reden geweest om korter te werken. Voor vrouwelijke wetenschappers die geen carrière maken, zijn kinderen geen rem op hun ambities.

De universiteit Maastricht heeft nog iets minder vrouwelijke hoogleraren in dienst dan het landelijk gemiddelde: 4,2 procent. In de rangen daaronder zijn vrouwen iets beter vertegenwoordigd dan het gemiddelde: universitair docenten: 29 procent, universitair hoofddocenten: 17 procent.

Ze werken naar eigen zeggen keihard, de helft in deeltijd. 53 procent werkt structureel over, vooral om hun zware onderwijsverplichting – de universiteit Maastricht heeft een onderwijssysteem waarbij studenten in kleine groepen les krijgen – te kunnen combineren met eigen onderzoek. Hun wetenschappelijk ethos is hoog.

Wesseling onderscheidt als type de romantica `die zich als een kunstenaar volledig met zijn eigen scheppingen identificeert' van de geroepene `die sterk maatschappelijk is geëngageerd'. ,,Het gaat om een creatieve vonk'', zegt een van de vrouwen in het onderzoek. ,,Die heb ik alleen als ik er heel hard aan werk. Als ik dat nalaat, dan blijft het werkstuk aan de oppervlakte en lukt het gewoon niet.''

Moeders met een vierdaagse aanstelling en kleine kinderen, werken volgens de uitkomsten het meeste over: gemiddeld acht uur per week. De resterende dag zijn ze als moeder thuis. Omdat ze niet voor fulltimers willen onderdoen, halen ze verloren tijd 's avonds en in het weekend in.

Moeders met een kleinere aanstelling blijken grotere, zelfstandige kinderen te hebben. Dat betekent dat ze op dagen dat ze thuis zijn, niet voor kinderen hoeven te zorgen. Noch de drie, noch de vier dagen werkende moeders, concludeert Wesseling, laten hun werk door de kinderen beïnvloeden.

Uit het onderzoek blijkt dat de universiteit een vrij flexibele werkgever is die personeel op prestatie en niet op aanwezigheid beoordeelt. Waarom kiest een moeder die vier dagen werkt en acht uur overwerkt, dan niet voor een zelfingerichte vijfdaagse werkweek? Omdat de universitaire cultuur selectief flexibel blijkt te zijn. Het is meer aanvaard dat je eerder naar huis gaat om een artikel af te maken, dan dat je gaat om je kinderen van school te halen. Zelfs als je daar officieel vrij voor hebt genomen.

Een thuiswerkende vrouw beschrijft het ongemakkelijke gevoel dat haar bekruipt als de telefoon gaat en de kinderen huilen of zingen. ,,Dan vlieg ik naar boven zodat niemand dat hoort. Ik vind dat niet professioneel.''

Slechts een derde van de ondervraagden streeft ernaar zelf een substantiëel deel van de zorg voor de kinderen op zich te nemen. De rest heeft een voorkeur voor een `moedersubstituut' in de vorm van een oppas aan huis. Hun eigen inbreng is beperkt tot een `kwaliteitsuurtje'. Wesseling plaatst kanttekeningen bij beide oplossingen. In het eerste geval moet het moedersubstituut langdurig aan het gezin verbonden blijven. In het tweede geval wordt de beschikbare tijd niet door het kind bepaald.

Geleerde moeders werken als kerels, de helft van de ondervraagden is ambitieus en toch stromen ze niet door. Hoe kan dat, als de kinderen niet de oorzaak zijn? Maastrichtse hoogleraren zijn medeverantwoordelijk voor het personeelsbeleid binnen een faculteit. Die functie vervullen ze volgens de ondervraagde vrouwen niet altijd even goed. Te weinig coaching, onvoldoende oog voor de teamgeest en overschilligheid overheersen. Personeelsconsulenten conformeren zich aan de leiding. ,,Er heerst een sfeer van: het maakt ons niet uit waarmee je bezig bent, als je die artikelen maar publiceert'', zegt een universitair docent, moeder van een kind.

Een derde van de moeders zegt dat zij ten onrechte nog niet is bevorderd naar een hogere rang – terwijl zij wel taken vervullen die bij die rang horen. Universiteiten zijn wettelijk verplicht streefcijfers te noemen voor het aantal vrouwen in hogere functies. NWO geeft jaarlijks dertig vrouwelijke wetenschappers de kans te promoveren tot universitair hoofddocent. Een universitair hoofddocent met twee kinderen: ,,Ik wordt vergeleken bij mannelijke collega's niet helemaal serieus genomen. Je doet je zegje in vergaderingen, maar in de besluitvorming buiten de vergadering om word je niet betrokken.''

De meeste ondervraagden voelen zich uitgesloten van het informele circuit. Ze borrelen niet na werktijd, maar besteden die vrije tijd aan hun gezin. Daardoor verliezen ze volgens Wesseling aanzien en invloed op het werk. Als dat waar is, ondervinden deze moeders dus toch negatieve effecten van hun dubbelrol. Een universitair docent, twee kinderen: ,,Wij moeten doordringen in een mannenwereld. Dat kun je niet op een vrouwelijke manier.'' De vraag blijft wat kinderloze vrouwen en mannen hierop te zeggen zouden hebben? Hun stem ontbreekt echter in Wesselings onderzoek.

    • Jutta Chorus