Ezel zijn

In een stampvolle lijn 25 die zich op een middag dat het niet droog wil worden, hortend en stotend door de Ferdinand Bolstraat werkt, zit ik voor een beslagen raam niets te zien naast een sikh met een natte tulband. Boven mijn hoofd wordt opeens op vragende toon mijn naam genoemd. Ik kijk omhoog in het gezicht van een onbekende, blonde vrouw van mijn leeftijd, die het klaarspeelt er ondanks het beestenweer, het gedrang in de tram en de wee makende lucht van natte jassen modieus en perfect gekapt uit te zien en een beschaafde zweem duur parfum over de tulband en mij te verspreiden.

,,Eh...'', zoek ik.

,,Nee, je weet het niet meer'', lacht ze. ,,Biene. Biene Rensenbrink. Van Coolsma.''

`Coolsma' opent in mijn mistig brein feilloos een helder doorkijkje.

Instituut Coolsma, mijn lagere school.

,,Ja, ik heet nu geen Rensenbrink meer, natuurlijk'', voegt de vrouw eraan toe. Een opmerking van een ouderwetsheid die kan opboksen tegen het hardnekkige `lagere school' van mijn generatie, dunkt me, en die meer over haar leeftijd verraadt dan haar trendy paarse lakjas. De achternaam zegt me trouwens niets. De voornaam des te meer. In mijn hele leven is maar één Biene voorgekomen; deze Biene blijkbaar. En nu zie ik het ook. Voor mijn geestesoog verschijnt een elegant, blond kind, met zwierigere plooirokken en leukere wintermutsen dan alle andere meisjes, en sprankelende ogen die ik pas veel later als `flirterig' zou kunnen benoemen. En mét haar duikt Michiel op.

Michiel had bebobhaar en was cool avant-la-lettre. Mieters kwam toen net zo'n beetje in zwang in de provincie. Ik had Michiel innig en onvoorwaardelijk lief, wel twee jaar lang, geloof ik. Maar de liefde kwam slechts van één kant. Ik betwijfel zelfs of Michiel ooit in de gaten heeft gehad dat ik bij hem in de klas zat, terwijl hij overduidelijk wist dat Biene bij hem in de klas zat. En zie, terwijl ik met Biene in de tram in kort bestek een paar onschuldige Coolsma-herinneringen ophaal, stuift Michiel met zijn schattige stekeltjeshaar tijdens het meidenvangen weer achter Biene aan en ziet mij niet staan. Maar er is meer. Plotsklaps, veertig jaar na zijn ontstaan, steekt een onnozel traumaatje zijn giftige kopje op, zoals traumaatjes plegen te doen. Nooit denk je er meer aan en opeens slaan ze hun gemene tandjes in je bewustzijn.

In de zesde klas hadden we juffrouw Versluys, tevens Hoofd der school. Een schooljuf van de oude stempel, compleet met knot, die er flink de wind onder had. Ze heeft vast aardige kanten gehad, maar die herinner ik me niet meer, zo bang was ik voor haar. Wel weet ik nog dat ze haar ongenoegen over ons altijd kracht bijzette door ons te vergelijken met de kinderen op Java, aan wie ze vroeger had lesgegeven en die zich zo dankbaar getoond hadden onderwijs te mogen ontvangen.

In dat zesde jaar gingen we bij wijze van afscheid van de school een paar dagen naar Vlieland. Van zee of duinen staat me niets meer bij, wel van om je oren vliegende erwten bij de avondmaaltijd en de klassieke nachtelijke inval van de jongens op de meisjesslaapzaal.

Op een avond zou juffrouw Versluys in het kader van het gezellig samenzijn een mooi verhaal vertellen. Maar voor het zover was, verzamelden de meiden zich giebelig onder leiding van Biene, die een `knotsgoeie stunt' wist. Kenden wij boerderijtje? Ik niet, in elk geval. Nou, boerderijtje ging als volgt: iedereen kreeg een rol als dier, en als juffrouw Versluys zodadelijk van wal stak, moesten we allemaal op een teken van Biene letten. Bij dat teken ging de koe loeien, het varken knorren, de kat miauwen, enzovoort. Ik kreeg de rol van ezel. Het knotsgoeie van de stunt school erin dat juffrouw Versluys in verwarring zou raken – in 1960 nog een effect om stikkend van het lachen naar uit te kijken – en iets zou roepen als: `Wat is hier aan de hand?' Waarop Biene zou antwoorden: `U heeft alle dieren van de boerderij wakker gemaakt, juf!'

Er werd geoefend en het ging perfect. Iedereen blafte, kraaide of loeide dat het een aard had. Ik ook, want Michiel moest maar eens merken dat ik niet het brave doetje was waarvoor hij mij aanzag. Toen juffrouw Versluys met haar verhaal begon, hield ik dan ook alert Biene in het oog en zodra zij het teken gaf, barstte ik los.

,,Ie-a, ie-a'', klonk het luid door de zaal.

Verder bleef het doodstil, want de échte mop van boerderijtje was dat aan iedereen verteld was bij het teken zijn mond te houden – aan iedereen behalve de ezel.

De tram draait de Vijzelgracht op.

,,Ik moet eruit'', zegt mijn oude vriendin. ,,Ik wil garnalenkroketten halen bij Holtkamp. Op de bonnefooi, ik heb niets besteld. Hopelijk hebben ze ze nog. Enig om je weer eens gezien te hebben, zeg! Bel me eens, dat zou ik zó leuk vinden!''

Over de sikh-tulband heen reikt ze me een chic, zilvergrijs kaartje aan, en wringt zich dan naar de uitgang. Op het kaartje staat haar (volledige) naam in zwarte reliëfletters met daaronder in contrasterende rode lettertjes: organisatieadviseuze.

Bij de volgende halte stap ik ook uit en loop over de Herengracht vol glibberig, nat blad naar huis.

Ik mag lijden dat bij Holtkamp de garnalenkroketten uitverkocht zijn; en de kalfs- ook. Had ze het maar beter moeten regelen. Organisatieadviseuze.

    • Rascha Peper