Een egomanisch kunstenaar

Martin Bril schreef eens dat als je Jan Cremer tegenkomt op de Keizersgracht, hij altijd zegt dat hij net terug is uit New York of op het punt staat af te reizen naar de steppen van Mongolië.

In het radioportret van Jan Cremer in de NPS-serie Een leven lang vraagt Jeroen Wielaert aan de schrijver-schilder of hij zich is gaan `settelen'. De luisteraar spitst zijn oren, denkend aan Bril. ,,Het is heerlijk om hier af en toe te zijn'', antwoordt Cremer, ,,maar ik ben ook vaak in Parijs en Italië natuurlijk. Ik schiet nooit wortel.'' Dan Wielaert weer, scherp: ,,Je wordt nu omarmd door de mensen waar je vroeger op scheet. Hoe is het om een society-figuur te zijn, met wie je kunt pronken?'' Cremer: ,,Jongen, de mensen beseffen nu dat ik goddomme altijd een serieus kunstenaar ben geweest. Dat wordt ook gewaardeerd. Eerbetoon hoort bij het leven.''

De 61-jarige Jan Cremer is niet van zijn stuk te brengen. Om de zoveel jaar staat hij weer even in de belangstelling, en mag hij de oude verhalen opdissen waar sommigen geen genoeg van krijgen. Afgelopen weekeinde werd een tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum geopend waarvoor Cremer zes stijlkamers inrichtte met eigen schilderijen uit zijn barbaristische periode (1958-1963) en werk van zijn leermeesters George Lampe, Nol Kroes, Willem Hussen en Bram Bogart.

In het radioportret probeert Wielaert, heel vermakelijk, de schilderijen te beschrijven terwijl hij met Cremer door de zalen loopt: ,,Links van ons Het woestijngevecht. Daar zit het er, met dat bloedrood, wit, blauw, ook allemaal weer heel dik op, met kracht gedaan, met die hand, de Cremerhand.'' Cremer: ,,Ja, absoluut ja. Schilderen is voor mij altijd een soort krachtsinspanning geweest. Vechten met verf.''

Onvermijdelijk komt het gesprek dan op Ik Jan Cremer, de schelmenroman die Nederland in 1964 deed opschrikken. Cremer liet op het omslag van de eerste druk `de onverbiddelijke bestseller' zetten, al voor dat een feit was. Het boek was al goeddeels uitverkocht voor de eerste recensie verscheen. Het succes van de bluf. ,,De macht die de literaire kritiek heeft geldt niet voor mij'', merkt Cremer op.

Nu zijn zulke marketingtechnieken gemeengoed in de uitgeverswereld. Cremer was de eerste Nederlandse schrijver die het zo aanpakte, en hij bedacht bovendien zelf zijn stunts: ,,Ik ben mijn eigen reclamebureau.'' Cremer belooft: Ik Jan Cremer 3 komt eraan. En zijn drijfveer? ,,Ik wil bewijzen dat ik er ben. Mezelf manifesteren, dat wil ik al van kleins af aan.'' De interviewer vraagt naar het onderscheid tussen personage en privé-persoon. Cremer antwoordt: ,,Ik hoef me niet anders voor te doen dan ik ben. Ik ben zoals ik ben, dat is mijn geheim.'' Geen speld tussen te krijgen. Wel gek hoe rondborstige egomanie zo kan samengaan met de totale afwezigheid van introspectie.

Jan Cremer, schilder, schrijver, journalist, morgen, 747AM, 16.00-16.45u.

    • Martijn Meijer