De zes fronten van George W. Bush

Veertien dagen geleden was de Amerikaanse oorlogsleiding verrast over de kundigheid waarmee de Talibaan zich verdedigden. Na de val van Kabul is Washington verrast over de snelheid waarmee de vijand de biezen pakt. In deze dagen van onverwachte overwinning zien we ook de eerste oorlogsfoto's, van dichtbij aan het front genomen. Een gewonde Talibaanstrijder wordt over de grond gesleurd, smeekt in doodsangst om genade en wordt dan door drie soldaten van de Noordelijke Alliantie afgemaakt. Nu zijn we verrast over onze bondgenoten in de strijd tegen Osama bin Laden en Al-Qaeda. De verslaggevers aan het front melden plunderingen. Niemand kan zeggen hoe de Alliantie zich in Kabul zal gedragen en of de terugtocht van de Talibaan de inleiding tot de nederlaag is, dan wel met geraffineerde strategische bedoelingen wordt uitgevoerd. Niet uitgesloten is dat het Afghaanse front nog meer verrassingen zal brengen.

Deze oorlog wordt gevoerd op een aantal fronten. Na het gevechtsterrein is er ten tweede het binnenlandse front. De innerlijke zwakte die hier moet worden bestreden is de onberekenbare nervositeit. Zoals het er nu uitziet, is de `miltvuurterreur' op een even mysterieuze manier verdwenen als hij gekomen is, tenzij hij toch weer terug is. Een vliegtuig stort neer. Men siddert en spreekt dan van geluk dat er geen terrorisme in het spel is, hoewel dat dan toch weer niet is uitgesloten. Men houdt zich voorbereid op alle verrassingen en als er een verrassing komt, ligt paniek om de hoek.

Het vraagstuk van het binnenlandse front is de geloofwaardigheid van Bin Laden. Zoals u, lezer, heb ik de Twin Towers op de televisie al ontelbare malen in rook en vlammen zien verdwijnen. De uitdrukking wil `dat je er zelf moet zijn om het te kunnen begrijpen'. Nee, de torens die de skyline beheersten, zijn er niet meer, zijn er iedere dag niet meer, en daarom in hun permanente afwezigheid de dagelijkse herinnering aan de macht van een man die bij zijn onvindbaarheid magische proporties begint aan te nemen.

Er is een afzonderlijk `Bin Laden front'. Vanouds geldt in de Amerikaanse democratie the public's right to know. Washington neemt met dit publiek geen risico's. Op 7 oktober heeft de gevreesde man een videofilm de wereld ingestuurd. De grote omroepen hebben daar rijkelijk uit geput of de opname van begin tot eind afgedraaid. De regering, meldt de New York Times, liet de networks weten dat daarmee de oorlogsinspanning werd gehinderd en dat er misschien geheime boodschappen in de tekst verborgen waren. Er is niets ontdekt. Afgelopen zaterdag is opnieuw een videofilm met Bin Laden verschenen, uitgezonden door het Arabische televisiestation Al Jazira. Twee networks hebben fragmenten vertoond, de andere op verzoek van de regering zichzelf gecensureerd, met het argument dat ze geen medium in dienst van de vijandelijke propaganda zijn. Voor een land dat drie jaar geleden nog in de ban van het Starr Report was, is dat een revolutionaire ontwikkeling. Feitelijk vertrouwt de regering niet meer op de koelbloedigheid en de kritische vermogens van het volk.

Het vierde front is het diplomatieke, waar de coalitie bij elkaar moet worden gehouden. Pakistan en Saoedi-Arabië vormen daar de wankele sectoren, en het Palestijnse conflict een chronisch probleem. Sharon heeft gelijk als hij zegt dat de belangen van Israël geleidelijk in een ander perspectief verschijnen, maar hij vergist zich als hij gelooft dat in Washington een soort `München' ten koste van zijn land in voorbereiding is. Daardoor laat hij het initiatief over aan Arafat, die dat goed begrepen heeft. De Europese publieke opinie, voorzover die zich verzet tegen de bombardementen, speelt in de Amerikaanse media nauwelijks een rol, en zolang in Duitsland minister Fischer zijn achterban in bedwang houdt (net als bij Kosovo), is Europa aan het diplomatieke front de geringste zorg. Een afzonderlijk hoofdstuk over de kernwapens en het raketschild wordt op het ogenblik geschreven door Bush en Poetin.

Het vijfde front is dat van de propaganda in de Arabische wereld. Washington heeft ontdekt dat `Amerika' en hoe afgezaagd dat ook mag klinken, dat is dan het land van McDonalds en Coca Cola een beeld van zichzelf heeft geschapen dat in grote delen van de wereld geen bijval maar afkeer wekt. Zoals in de Tweede Wereldoorlog zal er een propagandistische campagne op touw worden gezet; deze keer om het andere Amerika, dat van de vrijheid, de wetenschap, literatuur en kunst te gaan `verkopen'. Amerika moet een `merknaam' worden. De experts die dat gaan doen, zijn al aangenomen. De campagne moet nauw aansluiten bij het `domestic news management'. Merknaam verkopen, news management, het klinkt als een poging om het paard achter de wagen de spannen. Amerika heeft veel te bieden, maar de wereld zit juist niet te wachten op gladde praatjes van politieke copywriters.

En dan het zesde front, het economische. Het wil niet met de economie van het westen. Dat is een groeiend politiek vraagstuk omdat de lagere inkomensgroepen het zwaarst onder de teruggang te lijden hebben. Tegen het eind van het jaar zal de stad New York 80.000 werklozen hebben. New York is het markante voorbeeld, maar wat hier gebeurt voltrekt zich in zekere mate in alle westelijke centra van handel, toerisme en industrie. In de afgelopen decennia van depolitisering is het politieke vangnet sterk verzwakt. Zeer binnenkort is er behoefte aan een economisch vangnet dat alleen door de staat kan worden geconstrueerd. Dan zal blijken wat de conservatieve regering in dit opzicht waard is bij de bestrijding van dit besmettelijk pessimisme over het persoonlijk bestaan.

Deze regering is als een schaker die een simultaanpartij speelt op zes borden. Een paar tegenstanders voeren voortdurend geheim overleg met elkaar, en de belangrijkste is onzichtbaar. Dat is een toestand waarop George W. en de zijnen nauwelijks een half jaar geleden niet op hadden gerekend. Het Amerika van Bush had aanstalten gemaakt, de rest van de wereld te negeren. Nu verandert de rest van de wereld Amerika.