Voorrecht om dit hoge ambt te mogen vervullen

Rick van der Ploeg zei onlangs dat terugkeer naar de Tweede Kamer ,,uitholling van mijn intellectuele kapitaal'' zou betekenen. Hoe moet het Kamerlidmaatschap worden gezien? Als een gewoon beroep als alle andere, maar wel achtenswaardig, vindt het vroegere PvdA-Kamerlid Marjet van Zuijlen. ChristenUnie-parlementariër André Rouvoet beschouwt het juist als een roeping, een hoog en eervol ambt vol intellectuele uitdagingen.

Een beschouwing over het unieke van het Kamerlidmaatschap begint met de betekenis van de Staten-Generaal in ons staatkundig bestel. De leden der Staten-Generaal – het parlement – temperen door hun bevoegdheden de macht van de regering en beschermen het volk dat zij vertegenwoordigen tegen verkeerde en al te sterke machtsuitoefening.

Het op de bres staan voor de vrijheid en grondrechten van de bevolking is een van de meest wezenlijke kenmerken van het parlementaire ambt.

Deze voor een rechtsstaat cruciale functie kan worden gevat onder de controlerende taak van het parlement. Daarbij mag niet worden vergeten dat de regering slechts kan regeren zolang zij het vertrouwen van het parlement geniet.

Aangezien het in onze parlementaire verhoudingen nog altijd zo is dat het parlement wel de regering, maar de regering niet het parlement naar huis kan sturen, moet de conclusie zijn dat de hoogste macht in dit land bij het parlement berust.

Principieel gezien is het dus een ernstige misvatting om, wanneer een Kamerlid minister of staatssecretaris wordt, te stellen dat hij of zij `tot een hoger ambt geroepen wordt'.

Ten tweede impliceren het parlement en het partijenstelsel in een vertegenwoordigende democratie de principiële waarborging van de politieke participatie door middel van representatie van alle mogelijke bevolkingsgroepen en stromingen.

Het democratisch recht van minderheden om uitdrukking te geven aan hun diepste levensbeschouwelijke opvattingen over de publieke inrichting van ons land is mij, als vertegenwoordiger van een kleine partij maar ook principieel als christen-politicus en democraat, zeer dierbaar.

Het gaat er in het parlement niet om dat de meerderheid haar overtuiging van een legitimatie voorziet. Het gaat erom dat de onderscheiden opvattingen van de diverse stromingen in de samenleving worden meegewogen in het publieke debat.

Als het begrip `maatschappelijk debat' ergens zijn ware betekenis krijgt, dan is het wel in het parlement! Daaraan te mogen deelnemen vanuit de eigen politieke opvattingen, vanuit de overtuiging dat deze bijdragen aan het welzijn van land en volk, beschouw ik als een groot voorrecht.

De Tweede Kamer is – ten derde – bij uitstek de plaats waar de publieke zaak of, zo u wilt, het algemeen belang wordt gediend. Immers, de Kamer is medewetgever en beschikt met het oog op de uitoefening van die gewichtige taak over een aantal belangrijke instrumenten, zoals het recht van amendement, het recht van initiatief en het budgetrecht.

Op deze wijze draagt de Kamer bij aan goede en rechtvaardige wetgeving. Voor een gefundeerd en gezaghebbend oordeel over de noodzaak, de wenselijkheid en de kwaliteit van wetgeving zijn zelfstandigheid, ongebondenheid en onafhankelijkheid, maar ook kennis, deskundigheid en `worteling' in de samenleving, belangrijke voorwaarden.

Gezien de breedte van het maatschappelijk terrein dat door wetgeving moet worden bestreken en de gespecialiseerdheid en gedetailleerdheid die vaak nodig zijn om de ontwikkelingen adequaat te kunnen regelen, is dit alles geen geringe opgave.

Als vierde argument wijs ik op het gegeven dat het Kamerlid volksvertegenwoordiger is en als zodanig de stem van veronachtzaamde belangen heeft te zijn. Natuurlijk mag de politiek niet verworden tot smalle belangenbehartiging en hebben Kamerleden te waken tegen cliëntelisme.

Daarentegen moeten de burgers er van op aan kunnen dat hun gerechtvaardigde belangen door de door hen gekozen vertegenwoordigers in het parlement worden behartigd.

Het gaat er daarbij in de eerste plaats om op te komen voor de belangen van degenen die daartoe zelf niet of niet goed in staat zijn: de zwakkere of de enkeling, die gemakkelijk weggedrukt dreigen te worden door sterke belangengroepen en machtige lobby's.

Kortom: het behoort zeker óók tot het ambt van Kamerlid om – in alle zorgvuldigheid en onder handhaving van de vereiste parlementaire onafhankelijkheid – de functie van ombudsman te vervullen.

Ten slotte, maar niet het minst belangrijk: het lidmaatschap van de Tweede Kamer is een ambt waar je niet zozeer voor kiest, maar waarvoor je geroepen wordt. Zelf aarzel ik niet om het ambt van politicus als een roeping van Godswege te beschouwen.

Maar ook wie dat anders ziet, kan er niet omheen dat hij of zij tot dit ambt geroepen is via verkiezing door het volk. Dat maakt het ambt van volksvertegenwoordiger tot meer dan een fase in een carrière, laat staan een mooie opstap naar een andere functie.

Mijn conclusie is dat het een voorrecht is om dit hoge en belangrijke ambt te mogen vervullen. Het zo goed mogelijk vervullen van dit ambt vormt voor Kamerleden een dagelijkse uitdaging aan hun creativiteit en `intellectuele kapitaal'.

André Rouvoet is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van de ChristenUnie.

    • André Rouvoet