Na Kabul wordt het echt moeilijk

De verovering van Noord-Afghanistan en Kabul was voor de Noordelijke Alliantie het minst moeilijke deel van de klus. In het hartland van de Pathanen wacht hun een veel moeilijker opgave.

De snelle opmars van de Noordelijke Alliantie in het noorden van Afghanistan, tot en met de inname van Kabul, is minder verrassend dan ze lijkt. Weliswaar was de Noordelijke Alliantie twee maanden geleden na de moord op zijn legerleider Ahmed Shah Massoud nog op sterven na dood, maar dankzij de massale Amerikaanse, Russische en Iraanse steun van de laatste weken is de situatie radicaal veranderd.

Daarnaast spelen interne Afghaanse factoren een belangrijke rol. Zo lijkt het in strijd met de anders zo standvastige aard van de Talibaan om zonder strijd van betekenis enorme gebieden aan hun vijanden prijs te geven. Maar de Talibaan hebben zich nooit erg op hun gemak gevoeld in deze streken, die niet tot hun vertrouwde Pathaanse kerngebieden in het zuiden en oosten van Afghanistan behoren. En zulke gebieden sta je sneller af dan je `eigen' terrein.

De Talibaan waren en bleven vreemden in het noorden. Met hun religieuze scherpslijperij vervreemdden ze de lokale bevolking in het relatief liberale noorden, vooral bestaand uit Oezbeken en Tadzjieken, volledig van zich. Het sterkst in steden als Mazar-i-Sharif en Herat. Het optreden van de religieuze politie van de Talibaan, die dikwijls stokslagen uitdeelde voor het minste of geringste vergrijp tegen nieuwe bizarre regels werd als stuitend ervaren. Met de verplichte baarden voor mannen, het sluiten van badhuizen (belangrijk in een land waar vrijwel niemand op een waterleiding is aangesloten), het verscheuren van trouwfoto's en het in beslag nemen en vernietigen van muziekcassettes maakten de Talibaan louter vijanden.

Niet voor niets stonden er het afgelopen weekeinde in het net bevrijde Mazar meteen lange rijen mannen bij de kapper om hun baard te laten wegscheren en schalde er overal weer vrolijk muziek, die onder de Talibaan ten strengste was verboden.

Cruciaal is verder dat de Pathanen, de Tadzjieken, de Oezbeken en de Hazara's uit het ontoegankelijke hart van Afghanistan elkaar de afgelopen decennia met steeds meer wantrouwen zijn gaan bejegenen. Net als in bij voorbeeld Bosnië vormt deze etnische animositeit een van de kwalijkste erfenissen van de langdurige burgeroorlog, die Afghanistan de afgelopen jaren heeft geteisterd.

Nog tot in de jaren '80 leefden mensen uit verschillende etnische groepen vreedzaam samen, maar de vaak zeer bloedige strijd tussen verzetsgroepen en bovenal de hardvochtigheid van de Pathaanse Talibaan tegen andere groepen hebben de wederzijdse tolerantie drastisch uitgehold.

De Pathanen, die ongeveer de helft van de Afghaanse bevolking uitmaken, waren voor de opkomst van de Talibaan halverwege de jaren '90 onderling zeer verdeeld. Zo kon de Tadzjiek Massoud zich in 1992 samen met de Oezbeekse generaal Abdul Rashid Dostam meester maken van Kabul. De Talibaan wisten de Pathanen echter te verenigen, waarna ze in het najaar van 1996 op hun beurt Kabul innamen. Ook veel Pathanen die aanvankelijk een heel andere achtergrond hadden dan de Talibaan sloten zich uiteindelijk bij hen aan, zoals ex-communisten en voormalige monarchisten. Die bijna exclusief Pathaanse achterban vormt de kracht van de Talibaan maar tegelijk tegenover de rest van Afghanistan hun zwakte.

De etnische verhoudingen in het land bepalen intussen ook de grenzen van de mogelijkheden voor de Noordelijke Alliantie en haar buitenlandse vrienden. De inname van Kabul was goed mogelijk, mede omdat de Talibaan zich met deze in hun ogen decadente stad nooit bijster verbonden hebben gevoeld. Maar voor de gebieden ten zuiden en ten oosten daarvan alsook voor hun eigen hoofdplaats Kandahar, het hartland van de Pathanen, geldt een ander verhaal. Daarvoor zullen de Talibaan en hun Arabische metgezellen ongetwijfeld veel feller vechten.

De Noordelijke Alliantie heeft wel troepen in het zuidwesten van Afghanistan, maar het is de vraag of de Oezbeken en Tadzjieken van de Alliantie zich in het hartland van de Pathanen zullen willen begeven. Massoud noch Dostam heeft zich daar ooit aan gewaagd. Vlak buiten Kabul hielden ze het tot dusverre het voor gezien. Ze wisten dat ze daarna in een territorium kwamen waar ze als indringers zouden worden beschouwd. In deze gebieden, die zich uitstekend lenen voor een guerrilla-oorlog, zijn zij net zulke vreemden als de Talibaan in hun eigen noorden. Zo'n opmars door de Pathaanse gebieden zou bovendien vooral Pakistan, dat zelf miljoenen Pathanen binnen zijn grenzen telt, bijzonder onrustig maken.

    • Floris van Straaten