Kleine voeten

In het openbaar houden de Paarse lachebekjes zich de laatste tijd wat in, maar als ze onder elkaar zijn schijnt het nog steeds dolle pret te zijn, tenminste zo was het een paar weken geleden nog toen minister Van Aartsen een zitting van de ministerraad beschreef: ,,Natuurlijk gaan de beruchte melige briefjes weer rond. `Er is een doos jeukpoeder in je badkamer gevonden'.''

Jammer dat hij er niet bij schreef van wie dat briefje was. Minister Zalm, de Koning van de Lach, lijkt de eerste verdachte, maar dat is misschien oneerlijk, want behalve Kok, Korthals en De Vries zie ik ze er allemaal wel voor aan. Toch nog drie rechtvaardigen die niet de indruk geven van een overontwikkeld gevoel voor humor, reden tot gematigde dankbaarheid.

Van Aartsens eigen, snel klassiek geworden uitspraak `reporting for duty, general' was ook een geval van humor, alleen was het me niet meteen duidelijk om welke vorm van humor het hier ging.

Het zou op het eerste gezicht de ironie kunnen zijn van de brave soldaat die in een oorlog terecht is gekomen die hij niet begrijpt en alles doet om niet aan het front te komen, want daar schijnt geschoten te worden. Hij put zich uit om het zijn meerderen naar de zin te maken en een brave soldaat te lijken.

`Normen en waarden, generaal!' `In orde, soldaat!' En dan verstopt hij zich achter de bosjes in de hoop dat hij het daar uit kan zingen tot de oorlog voorbij is.

Maar nee, deze nederige vorm van ironie valt niet te rijmen met de altijd wat kalkoeneske verschijning van onze minister van Buitenlandse Zaken. Zijn humor lijkt eerder die van de knecht die zich niet kan verzoenen met zijn knechtenrol. De ober die opzichtig overdreven beleefd is, op het belachelijke af, omdat hij eigenlijk geen ober is, maar een kunstenaar die nog niet is doorgebroken. `Alles volledig naar wens geweest, generaal?' Met de glimlach van iemand die duidelijk wil maken dat hij niet in de rol past.

De beschrijving van het begin van een oorlog. De hoofdpersoon wordt aangetrokken door de klanken van een militaire parade. Hij raakt in een feestelijke enthousiaste stemming, laat zich ronselen voor het leger en loopt met zijn lotgenoten naar de kazerne. Dan valt de poort achter hem dicht en met de feestelijke stemming is het snel afgelopen. Zo staat het in het begin van Reis naar het einde van de nacht van Céline, en ongeveer hetzelfde kan in veel boeken worden gevonden.

Die boeken zijn ouderwets, want van de feestelijke stemming aan het begin van een oorlog valt nu weinig te merken, zeker niet in ons land. We vervullen onze dienstplicht als de brave soldaat die liever dienstweigeraar zou zijn.

Een van de scherpe definities van Elias Canetti die zich voorgoed in het geheugen vastzetten: ,,De gemeenschappelijke richting van een kudde dieren die samen op de vlucht zijn, zou je hun `overtuiging' kunnen noemen.''

Ik keek het citaat voor deze gelegenheid nog even na en ik merkte dat ik precies wist waar het stond. Ik had het citaat nodig om mijn gebrek aan overtuigingen te rechtvaardigen.

In een droom die veel mensen bekend is zit je weer op school, terwijl je in werkelijkheid al lang eindexamen hebt gedaan. Vaag besef je dat wel in die droom, maar dat helpt niet.

Een variatie die ik ook een paar keer heb gedroomd gaat over militaire dienst. Je wordt opgeroepen voor het leger en je weet dat je in het echte leven voorgoed ongeschikt bent verklaard. Waar ligt het papiertje waar dat op staat, je had je nog zo voorgenomen dat te bewaren als een kostbare schat. Nergens te vinden. Paniek.

De schrijver Gore Vidal vertelde zijn biograaf Fred Kaplan over een vaak terugkerende droom die hier een beetje op lijkt, maar toch heel anders is. Vidal droomde dat hij weer in het leger was, wat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog ook werkelijk geweest was, maar in zijn droom was hij geen officier meer, maar gewoon soldaat. Ook hij was een papier kwijt, en ook hij was in paniek in zijn droom, omdat niemand wilde geloven dat hij officier was.

Als ik me de militaire dienst voorstelde, was ik altijd een gewoon soldaat die na een tijdje gek werd van de bevelen die hij ontving en dan het geweer op zijn superieuren richtte en er een stel wegmaaide, als gerechtvaardigde zelfverdediging. Die fantasie monterde me dan weer wat op. Ook in de mens met pacifistische neigingen sluimert kennelijk het beest.

Zo pacifistisch was ik trouwens niet, al dacht ik toen van wel, het ging me er meer om bevelen te ontwijken, want wie een bevel uitvoert wordt voor het leven verminkt door een pijlpunt die altijd in het lijf blijft steken. Dat wist ik al en later leerde ik het nog eens van Canetti.

Ik kende maar weinig leeftijdsgenoten die werkelijk in dienst moesten. Het werd onder de mensen met wie ik omging beschouwd als iets voor arme boerenknechten die dankzij de dienstplicht voor het eerst hun erf af mochten, of anders voor machtswellustelingen uit nette kringen die zich wilden oefenen om later in het burgerleven bevelen uit te delen.

Er waren allerlei verhalen in omloop hoe je op bizarre manieren kon zorgen dat je afgekeurd werd, maar vaak was dat niet nodig, want het aanbod van dienstplichtigen was groter dan de vraag.

Een vriend van me kreeg van de keuringsarts te horen dat hij erg kleine voeten had. Ja, dat had hij wel eens van zijn moeder gehoord, dat hij een kleine maat schoenen had, maar hij had er nooit veel aandacht aan besteed.

,,Heeft u er veel last van?''

,,Ach, last, niet zo erg, nee.''

,,Valt u wel eens om?''

Hier werd een handreiking gedaan, dat was duidelijk. Hij wilde niet graag in dienst, maar hij was niet van plan geweest om rare verhalen te verzinnen of onduidelijke kwalen te simuleren. Met de vraag of hij wel eens omviel had hij geen rekening gehouden.

Hij greep de hand. ,,Alleen als het erg hard waait, dan is het wel eens moeilijk om op de been te blijven.'' Afgekeurd op te kleine voeten.

Nu het land in oorlogsdienst is getreden komt het me voor als een goede beschrijving van de Nederlandse gevechtsbereidheid. We hebben kleine voeten en we vallen om als het hard waait, maar deze keer hielp dat niet, we zijn toch goedgekeurd en de poort is dicht.

    • Hans Ree