Kamerlid zijn is helemaal niets bijzonders

Rick van der Ploeg zei onlangs dat terugkeer naar de Tweede Kamer ,,uitholling van mijn intellectuele kapitaal'' zou betekenen. Hoe moet het Kamerlidmaatschap worden gezien? Als een gewoon beroep als alle andere, maar wel achtenswaardig, vindt het vroegere PvdA-Kamerlid Marjet van Zuijlen. ChristenUnie-parlementariër André Rouvoet beschouwt het juist als een roeping, een hoog en eervol ambt vol intellectuele uitdagingen.

Het Kamerlidmaatschap is een achtenswaardig beroep. De Van Dale verstaat onder een beroep, een maatschappelijke werkkring waarvoor men de vereiste bekwaamheid en/of bevoegdheid heeft verkregen. Waarom zouden Tweede-Kamerleden verheven zijn boven andere beroepen? De werving en selectie van parlementariërs verschilt weinig met die van andere beroepsgroepen. Diverse politieke partijen maken gebruik van hun netwerk, van speciaal daarvoor aangestelde scouts of van personeelsadvertenties in de landelijke dagbladen. Een benoemingsadviescommissie stelt vervolgens de volgorde van de lijst vast, rekening houdend met de talenten, voorkeuren en achtergronden van de nieuwe en zittende Kamerleden. In de gewone mensenwereld is een dergelijke sollicitatieprocedure vanzelfsprekend. Het feit dat Tweede Kamerleden uiteindelijk gekozen worden doet hier niet aan af. Voordat zij verkozen kunnen worden hebben zij immers een normale procedure achter de rug.

Net als voor gewone banen geldt voor het Kamerlidmaatschap dat bepaalde talenten, vaardigheden en karaktereigenschappen tot aanbeveling strekken. Hoewel expliciet geen functie-eisen kunnen worden gesteld (in theorie is immers iedereen geschikt), gelden die impliciet wel degelijk. Een goed analytisch vermogen, creativiteit, overtuigingskracht, stevigheid, sensitiviteit, ambitie en een goed gevoel voor politiek-bestuurlijke verhoudingen zijn onontbeerlijk. Kandidaten die een heldere politieke visie combineren met een behoorlijke dosis pragmatisme; die een relevant maatschappelijk en politiek netwerk hebben; die ervaring hebben met publieke optredens, debat en belangentegenstellingen; die stressbestendig zijn; een goede pen en een mediagenieke uitstraling hebben, zullen (terecht) kanshebber zijn.

Voor de doorstroom van Kamerleden naar leidinggevende functies in de fractie, naar het kabinet en naar (bestuurlijke) functies buiten de Kamer, blijft dit profiel van kracht. Hoe meer je er aan voldoet, des te succesvoller ben je. Ten aanzien van doorstroming heeft zich de afgelopen jaren een zekere professionalisering voorgedaan. Geïnspireerd door `management-development systemen' bij grote bedrijven stappen ook de overheid en de politiek over op het systematisch beoordelen van het functioneren van werknemers. Geheel volgens de regels van het spel bieden sommige politieke partijen zelfs een mentor aan voor beginnende Kamerleden.

Deze beoordelingen spelen vervolgens een rol bij de uitstroom van Kamerleden. De mate van professionaliteit bij het gebruik van deze beoordelingen verschilt sterk per politieke partij, maar ook daarin wijkt de politiek niet af van een gemiddelde andere organisatie. Ook bij de daadwerkelijke uitstroming blijken geen verschillen. Behalve in negatieve zin. Het overgrote deel van de Kamerleden komt niet meer buiten de politiek aan de slag. De belangrijkste reden daarvoor is dat de rekruteringsbasis van Kamerleden, ondanks pogingen tot verbetering, nog steeds niet voldoet. De basis is smal en eenzijdig. Bovendien is de maatschappelijke waarde van de meeste Kamerleden aanzienlijk lager dan hun politieke waarde. In rond Nederlands, ze verdienen gewoon te veel voor wat ze kunnen. Het is niet hun persoonlijke gezag dat hun status verschaft, maar hun functionele gezag. Deze discrepantie is fnuikend voor het toekomstige succes op de arbeidsmarkt.

Dit verschijnsel beperkt zich niet tot de individuele Kamerleden die lange tijd noodgedwongen van hun wachtgeld moeten leven, maar heeft ook effect op de aantrekkingskracht van het Kamerlidmaatschap. Meer interessante rolmodellen in de vorm van Kamerleden die verantwoordelijke banen krijgen in het bedrijfsleven of bij de overheid zou de rekruteringsbasis (meer toptalent) verbreden en het algehele niveau kunnen opkrikken.

Hoe meer politici benadrukken dat het vak dat zij uitoefenen een roeping is, hoe groter de kans dat onvoldoende rekening wordt gehouden met het genoemde mechanisme.

Dat het Tweede-Kamerlidmaatschap een beroep is, blijkt ook uit de gewoonte dat Kamerleden op het moment dat zij zich niet meer intellectueel of anderszins door de functie bevredigd voelen, de mogelijkheid benutten om een andere baan te nemen. Vele Kamerleden hebben deze stap de afgelopen jaren gezet. Sommigen direct na de verkiezingen, omdat een plek in het kabinet er niet in bleek te zitten, anderen later omdat zich een niet te missen kans voordeed.

De morele oordelen hierover zijn op z'n minst hypocriet. Kennelijk hebben we liever Kamerleden die ongemotiveerd een volledige periode uitzitten en afhankelijk raken van wachtgeld, dan Kamerleden die eervolle functies in de samenleving gaan vervullen. Maar wat heeft het land aan Kamerleden die hun tijd uitzitten?

Wie zal bovendien de morele superioriteit durven hebben om te beweren dat alleen het politieke ambacht een roeping is? Een goed betaalde roeping dan wel. Hebben bijvoorbeeld studenten die ervoor kiezen docent, verpleegkundige of politie-agent te worden geen roeping? En al die anderen op de arbeidsmarkt die betrokken en gemotiveerd hun werk doen? Zijn die niet ook geroepen? Als het antwoord op deze vragen bevestigend is, ben ik tevreden.

Marjet van Zuijlen was van 1994 tot 2000 Kamerlid voor de PvdA. In 2000 stapte zij over naar Deloitte en Touche Human Capital Group als headhunter en consultant.

    • Marjet van Zuijlen