Confidentialiteit is nooit absoluut

Algemeen deken Guensberg verzet zich tegen meldplichten voor advocaten bij witwaspraktijken (NRC Handelsblad, 8 november). Zonder confidentialiteit is er geen advocatuur, zo stelt hij, dus geen meldplicht. Zijn standpunt berust op een te absolute opvatting van confidentialiteit.

Als gebruikelijk stelt Guensberg: zonder confidentialiteit hebben rechtzoekenden geen vertrouwen in de advocatuur en zonder advocaten kunnen die rechtzoekenden hun recht niet halen. Dat laatste klopt, het eerste mist feitelijke grondslag. Er is geen onderzoek waaruit blijkt dat gemiddelde, min of meer fatsoenlijke rechtzoekenden hun vertrouwen in de advocatuur zouden verliezen en daardoor van rechtshulp verstoken zouden zijn als zij zouden weten dat advocaten witwaspraktijken moeten melden en dat ook doen. Waarschijnlijker is het tegendeel: de meeste burgers zullen die meldplicht prima vinden. Zelf wassen zij niet wit, bovendien vinden zij dat witwassers niet ongehinderd hun gang mogen gaan.

Op zich zegt het vertrouwensargument dan ook niets. Redenen waarom vertrouwen vertrouwelijkheid vooronderstelt worden immers niet gegeven. Die zijn nu juist de kern van de zaak. Die draait om de kwaliteit van de rechtspleging. Waarom zijn er eigenlijk advocaten? Montesquieu legde in De l'esprit des lois al uit dat voor iedereen begrijpelijk recht in een ook maar enigszins ontwikkelde maatschappij onmogelijk rechtvaardig kan zijn. Rechtvaardig recht moet wel ingewikkeld en voor gewone mensen onbegrijpelijk zijn. (Daarom moest volgens diezelfde Montesquieu in het 18de-eeuwse Frankrijk het strafrecht van de Turken worden ingevoerd, want dat was in ieder geval volstrekt onbegrijpelijk...) Dat schept de noodzaak en het bestaansrecht van advocaten. Zij zijn de rechtshelpers die menselijke belangen vertalen in juridische rechten en plichten.

De juridisch onwetende burger kan dat niet. De rechtzoekende weet dus ook niet welke feiten en omstandigheden juridisch ter zake zijn en welke niet. Dus moet hij de advocaat alles kunnen vertellen, ook datgene wat schadelijk kan zijn als anderen het te weten komen, maar wél van juridisch belang kan zijn. De advocaat maakt er een juridisch hout snijdend verhaal van. Pas dan kan de burger die juridisch gelijk heeft maar het op eigen kracht niet kan halen, zijn gelijk krijgen met hulp van de advocaat. Die eigenlijke zin van confidentialiteit komt bij Guensberg niet aan de orde.

Met een vertrouwelijke advocatuur is er dus meer recht dan zonder. Confidentialiteit is een voorwaarde voor verwerkelijking van materieel recht en is nooit een waarde op zich, laat staan een onvoorwaardelijke advocatenplicht. Ook de rechter heeft dat herhaaldelijk duidelijk gemaakt. Beperking van confidentialiteit is dus niet op voorhand uitgesloten, al moet er voorzichtig mee worden omgegaan. Bijvoorbeeld: geen fatsoenlijk advocaat houdt zijn mond als hem confidentieel ter ore komt dat een moord gaat worden gepleegd.

Verwerkelijking van materieel recht is de enige grond van confidentialiteit, net zo goed als het de enige grond is tot vertrouwen in de advocatuur. ,,Het recht te doen zegevieren is het vak van de advocaat'' schreef landsadvocaat Van Stipriaan Luïscius (in `De Advocaat', 1930). Het kan geen kwaad daarbij nog eens stil te staan, in een advocatuur die hier en daar gericht lijkt op rechtsstrijd met alle middelen, ongeacht de kwaliteit van het resultaat, waaronder confidentieel ongehinderde witwasserij.

Witwassers zullen minder makkelijk te werk kunnen gaan als zij niet langer zonder enig risico de hulp van zonder meer confidentiële advocaten kunnen inroepen. Het kan niet de bedoeling zijn dat er mét advocatuur meer onrecht is dan zonder.

Dr. H.J.R. Kaptein doceert rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam.