Zusters

Er bestond in de jaren twintig van de vorige eeuw een antikatholiek liedje van protestantse makelij dat als volgt ging:

de papen, de papen/ klimmen als apen/ in de hoogste bomen/ om in de hemel te komen.

Ik trof het aan in het fraaie boekwerk 65 jaar Karmelgezichten dat een lezeres mij toestuurde. Die lezeres, Ietsje Hofstra-de Jager, beheert het Karmel Klooster in Drachten waar tot 1993 de zusters karmelietessen gevestigd waren. De karmelieten vormen een contemplatieve kloosterorde die al ruim 750 jaar in Nederland aanwezig is. In 1993 moest het klooster dicht de zusters waren te oud geworden om het nog zelf te kunnen onderhouden.

Omdat het klooster nu een huis voor studie en bezinning – dit jaar 65 jaar bestaat, loopt er een expositie met geschilderde portretten van de vertrokken zusters. In het boek is een aantal reproducties van die prachtige portretten geschilderd door Friese en Groningse schilders opgenomen.

Ik heb het allemaal gefascineerd tot me genomen. Boek en expositie zijn een hommage aan een wereld en een leefwijze die bijna verdwenen zijn. Jonge mannen en vrouwen vonden het toen nog vanzelfsprekend om zich aan `een roeping' te onderwerpen, die hen voor de rest van hun leven praktisch volledig van de wereld afzonderde.

In het boek staan naast de portretten foto's van de zusters als jong meisje afgedrukt. Mooie, bloeiende meisjes je constateert het met een zekere spijt. Maar de werkelijke schok komt bij het lezen van de begeleidende teksten.

Zuster Angela Coenen was 18 jaar toen ze in 1931 haar intrede deed in de orde. Ze schrijft over die dag: ,,Op die morgen gingen we allemaal samen naar de kerk en na de H. Mis samen ontbijten. Toen gingen de drie oudsten met vader en moeder zich klaarmaken. Ik liep het hele huis nog even rond, legde op mijn kamer mijn kleine sieraden neer. Vader reed de auto voor. In de vestibule stonden de vier jongsten op 'n rij, stijf tegen elkaar. Ze keken zo bedremmeld toen ik afscheid nam. Wat zeg je dan? Later, veel later, heb ik gehoord hoe droevig die dag voor hen was (...) Ik kreeg een mooie, grote cel, wel met matglas raam, omdat je daar op de stad uitkeek. Voor mij was dit toch maar bijkomstig. Ik was echt gelukkig, voelde me dadelijk thuis.''

Het staat er alsof het om een vakantiereisje ging. Maar het was niets minder dan de vrijwillige aanvaarding van een levenslang isolement. Contacten met de familie vonden hooguit een keer per jaar plaats. Geen bezwaar voor Angela: ze vond het vervelend voor hén, niet voor zichzelf. Dat ze haar sieraden moest achterlaten, en dat ze de wereld voortaan vanuit haar `mooie, grote cel' alleen nog maar door matglas mocht bekijken het deed er niet toe, want het hoorde zo.

Uit de verhalen van en over de zusters rijst een heel andere, verborgen tragiek op. Het geloof raakte in de loop van hun leven op de terugtocht en veel kloosters gingen dicht. De zusters moesten tot op hoge leeftijd verhuizen. Totale ontworteling, noemt een van hen het.

Zij hadden hun leven aan God gegeven en Die gaf er weinig voor terug maar dat zijn mijn woorden, en zeker niet de hunne.