Werelden

De Indiase soldaten die de ingang aan de achterkant van de Amerikaanse ambassade in Delhi moeten bewaken zien er niet uit alsof ze een rotbaan hebben. In de ochtend zitten ze een beetje te relaxen op een gevlochten bed, met een dampend kopje thee in de hand. In de middag staan ze te relaxen met een voet op het gevlochten bed, met een sigaret in de hand. Als de Amerikanen het maar niet te weten komen. Aan de voorkant van de ambassade hangt namelijk een groot bord waarop staat dat het verboden is te roken binnen een afstand van twaalf meter van de hoge witte muur. Amerikanen zijn streng tegen rokers, waar ook ter wereld. Maar goed, het bordje zegt eigenlijk dat de wereld van hun is.

Dat zie je ook aan de ambassade. De Amerikaanse ambassade in Delhi is geen gebouw. Het is een wijk. Een ommuurde wijk, waar anders vier of vijfduizend mensen zouden wonen. Met een eigen hospitaal, tennisbaan, zwembad, gym, een lagere en middelbare school, bars en restaurants en winkels. Amerikanen willen zich graag thuis voelen in het buitenland. Dat ze niet snappen dat juist daardoor haat en wrok ontstaan, is mij een raadsel. Maar de Indiase jongens die de achteringang bewaken met hun kopjes thee en hun sigaretjes voelen niets van haat of wrok. Ze hebben juist medelijden met hun Indiase collega's die bij de hoofdingang staan. Die moeten urenlang met gespreide benen en een oude karabijn in de hand voor zich uit staren. Dat heb ik nooit zo goed begrepen: zie je veel om je heen als je strak voor je uitstaart?

Het maakt wel indruk, zo'n houding. Maar niet op de Amerikanen, begrijp ik van de jongens van de achteringang van de ambassade. Amerikanen vinden Indiase soldaten een zootje ongeregeld. De Indiase soldaten mogen de ambassade van buiten bewaken, van binnen vertrouwen ze op Amerikaanse jongens, de beruchte marines, grote blanke vechtmachines, met een of twee zwarten ertussen. Zij dragen geen zielige karabijnen uit de jaren '40, maar hippe machinegeweren waarmee je een hoop schade kunt aanrichten. Vergelijk dat met de iele Indiërs. Indiërs moeten het hebben van hun aantal. Waar één Amerikaan een ingang bewaakt, staan vijf Indiërs een sigaretje te roken. Bovendien hebben de Amerikaanse militairen het een stuk makkelijker dan hun Indiase collega's. De Amerikanen bewaken een nette, ordelijke omgeving. De gazons zijn geknipt, de muren zijn gewit, de tegels zijn geboend en alles is helder verlicht. Als daar een vreemde figuur met een baard door zou kruipen zou die behoorlijk opvallen.

De Indiase soldaten hebben de betegelde Amerikaanse ambassade achter zich, en de Indiase realiteit voor zich. De jongens over wie ik het heb, de bewakers van de achteringang, hebben letterlijk uitzicht op een sloppenwijk. Ze kijken dag en nacht naar wat in die wijk gebeurt, en wie dat ooit heeft aanschouwd, weet dat je je ogen er niet van af kunt houden. Voor je ogen worden kinderen geboren. Een paar anderen gaan dood. Degenen die de zuigelingentijd overleven zijn meteen kleine volwassenen. Ze hebben weliswaar geen broekje aan, maar hun houding, hun lichaamstaal, hun reactievermogen en hun angst is als die van volwassenen. Ze hebben aan een boom een touw gebonden met daaraan een autoband. Dat is hun schommel, waarmee ze vervaarlijk hard schommelen. De tak waar het touw aanhangt buigt en de bomen van Delhi zijn broos. Vroeg of laat knapt de tak en zwiept een kind vijf meter naar beneden. Het kind zal het niet overleven, al is er vlakbij een hospitaal, op het terrein van de Amerikaanse ambassade. Maar dat hospitaal is uitsluitend voor Amerikanen.

Je kunt ook kijken naar de vrouwen, oudere vrouwen meestal, die overdag niets anders doen dan kleren wassen. Het is een hopeloze bezigheid. Het water komt uit een gemeenschappelijke kraan, er is een stenen plateau waar ze allemaal omheen zitten, met de vuile kleren van hun zonen en kleinkinderen. Alleen: dat plateau is veel vuiler. Het is groen en glibberig. Ze hebben geen geld voor zeep en proberen het vuil met stokken uit de natte hopen katoen te slaan. Misschien gaat daarvan het ergste ongedierte dood, maar schoon is wat anders.

's Avonds wordt de sloppenwijk pas echt romantisch. De mannen van deze sloppenwijk, achter de Amerikaanse ambassade, werken in de bouw. Evenals hun vrouwen. Vrouwen zijn goede bouwvakkers, vinden de aannemers die de paleisachtige monumenten bouwen voor nog meer ambassades, want er komen in de wereld steeds meer landen bij, die allemaal een vertegenwoordiging willen in India. De vrouwen sjouwen stenen en cement in rieten manden naar de plek waar de mannen aan het metselen zijn. Dat is soms hoog, en de ladder is van trillende en schuddende bamboe. Soms laat iemand zo'n mand vallen, wat vervelend is voor degene die daaronder staat. Soms valt iemand zelf van die ladder. Ach, als het ambassadegebouw maar mooi is.

Maar 's avonds komen ze thuis en hebben ze een paar rupees, die meteen uitgegeven worden. Mensen die in sloppen wonen doen niet aan uitstel van behoeftenbevrediging. Dus kopen ze goedkope rum en vlees van oude schapen en ze koken en drinken en klappen in de handen onder zelfgemaakte liederen. In sloppenwijken is het altijd feest. Het zijn de enige mensen in de wereld, lijkt het, die beseffen dat het leven kort is.

Als de rum en het vlees op zijn begint de liefde. De soldaten die de Amerikaanse ambassade moeten bewaken mogen er graag naar kijken. Want behalve dat ze hun behoeften niet uitstellen, hebben sloppenbewoners ook geen enkele schaamte daarover. De gevlochten bedden staan zowat op straat, en anders onder de boom met die gevaarlijke schommel, waar, zonder de kleren uit te trekken, kort maar heftig gevreeën wordt. Zo is weer een kindje verwekt.

De Indiase soldaten hebben zware mantels om, vanwege de kou in deze tijd en ze aanschouwen de taferelen van hun land. Tegen mij zeggen ze dat ze de Amerikanen van de ambassade beschermen tegen gevaren van buitenaf. Ik zal ze maar geloven.

Ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas