Weidevogels

De strekking van de reactie van David Kleijn en Frank Berendse (NRC Handelsblad, 3 november) is genuanceerder dan de eerdere presentatie van hun onderzoek (NRC Handelsblad, 15 oktober). Zij onderschrijven dat weidevogelbeheer vooral buiten de reservaten plaats moet vinden en dat agrarische natuurverenigingen daarbij een belangrijke taak te vervullen hebben. Maar tegelijk zeggen ze dat beheersovereenkomsten gemiddeld niet het gewenste resultaat opleveren.

Het onderzoek werkt met onderzoekgebiedjes van 2 tot 12.5 ha. Dat zou voldoende moeten zijn als het puur om het bieden van nestgelegenheid gaat. Maar dat is niet het geval.

Er zijn meer factoren die de dichtheid van weidevogels bepalen, zoals fourageermogelijkheden en schuilmogelijkheden. Daarom is de aanwezigheid van een mozaïeklandschap, in de zin van verschillende vormen van graslandgebruik en -beheer binnen een polder van groot belang. Dergelijk mozaïekbeheer wordt de laatste jaren door agrarische natuurverenigingen steeds meer in praktijk gebracht.

Vergelijkend onderzoek naar de effectiviteit van beheer vergt dan ook een ruimtelijke schaal van bijvoorbeeld gehele polders. Zo liet eerder onderzoek van de Leidse universiteit, waarbij 367 polders met elkaar vergeleken werden, de betekenis van een latere maaidatum zien. Om een vergelijking te maken: de schoonheid van een vrouw komt ook niet tot uitdrukking op het niveau van een vierkante centimeter.

Er moeten nu twee dingen gebeuren. In de eerste plaats is een nadere check van de gegevens van de auteurs nodig op de eerdergenoemde punten. En in de tweede plaats pleiten we voor een aanvullend onderzoek op een hoger schaalniveau met proefgebieden van een vierkante kilometer of polders als geheel, om op dat niveau de invloed van weidevogelbeheer te analyseren.

    • Universiteit Leiden
    • Helias A. Udo de Haes