Ik heet Lucas

Aan de voet van de Spaanse Pyreneeën. Een klein door de burgeroorlog ongeschonden dorp. De kerk staat hier niet in het centrum, je moet naar boven. De bergtoppen zijn besneeuwd en in nevelen gehuld, maar je hebt daarboven een schitterend uitzicht over het dal. Mijn megalomane hart gaat sneller kloppen, want mijn Alexandergevoel komt boven: dit wil ik allemaal hebben, allemaal veroveren. Onzin natuurlijk, ik ben blij dat ik op dit muurtje zit en even mag uitblazen.

Weer beneden in mijn herberg uit de tijd van Cervantes, zit een oeroude man zijn soep te eten. Hij kwakt er een scheut rode wijn in en breekt het brood. Alles geurt en suddert binnen deze dikke muren. Voor mij breekt weldra het heerlijkste moment van de dag aan: etenstijd. Er zijn momenten waarop ik, alleen op reis, diep- en dieptreurig word. Dan mis ik iedereen waar ik van hou. Als ik eet heb ik daar hoegenaamd geen last van.

Ik ga bij de oude zitten. Mag ik? U bent van harte welkom. Dat heb ik nu net even nodig. Sluwe oogjes, maar zijn mond is lief en spraakzaam. Nee, hij is niet de oudste van het dorp. Op een na. De koster is één jaar ouder, die is 98. Hoor, hij luidt de klok boven, het is twaalf uur, hij komt zo naar beneden en gaat ook zijn soep eten. Ze zijn zo oud geworden omdat de lucht hier gezond is en ze elke dag soep eten met brood, en vergeet de wijn niet. Soep eten en vrijgezel blijven, dan word je oud. Vrouwen eten je op en gooien vervolgens je botten in een hoek.

Ik maak eerbiedig plaats voor de oudste van het dorp. Zeg, die lijken wel heel erg op elkaar. ,,Mijn broer'', zegt mijn oude terwijl hij aan zijn volgend bord soep begint en mij een beetje uitlacht. In het café wordt het drukker. We krijgen soep met van alles erin. Die zenige stukken zullen wel weer van geschoren stierenkloten stammen. Dat komt altijd van pas als je alleen op reis bent.

't Is herfst en ja hoor, ik heb geluk, want in Spanje doen ze niet kinderachtig over de jacht. Alles wat fladdert en beweegt hoort uiteindelijk in een pot boven het houtvuur te belanden. Ik krijg wild zwijn. Jabalí estofado. Wijn waar je je tanden in kunt zetten. Garbanzos met spekjes, in een saus met olijfolie en tomaat. Waarom is het brood in Spanje zo lekker?

Er schuifelt een jongen binnen. Een jaar of twintig. Zijn hoofd een beetje scheef. Grote blauwe ogen. Waren hier ook Noormannen? Hij heeft een trage, tastende gang. Een blij, vriendelijk kind. Mijn buurman zegt dat hij een simpele is die niet kan praten. Hij is niet doofstom. Hij heeft nog nooit een woord gezegd. In zuidelijke streken worden de eenvoudigen van geest met eerbied behandeld. Deze jongen krijgt een bord soep. ,,Oye, hijo mío, el silencio'' (Luister, mijn zoon, naar het zwijgen), zegt mijn buurman.

Krijg ik niks toe? Rustig vadertje, moet je eens zien, daar komt je crema catalana een verrukkelijk laagje gebrande suiker, waar je zo gek op bent. De jongen met de grote ogen ziet me smullen en krijgt ook een stenen kommetje. Kijk, dat is wat ik bedoel...

's Ochtends vroeg. Ik hoor zacht praten onder mijn raam. Daar staat de stomme met een ezel te praten. De twee kijken elkaar diep in de ogen. De jongen vertelt hem alles over het wel en wee van het leven en wat zich daarin kan afspelen.

's Middags in het café is hij weer stil.

Ik ben net thuis als ik word gebeld met het verzoek of ik een paar dagen een jonge schilder die lijdt aan het syndroom van Down, een paar dagen onder mijn leiding op mijn atelier wil laten werken.

Waarom ik? Uw werk heeft iets naïefs, dat spreekt zo'n jongen aan. Maar ik heb helemaal geen ervaring in dat soort dingen. Op mijn atelier met een mongool optrekken dat krijg ik nooit voor elkaar, denk ik. Maar ik zeg dat ik vereerd ben dat ze aan me hebben gedacht en als zij van de stichting mij de jonge schilder willen toevertrouwen, is hij welkom.

Twee dagen later staat hij met zijn beide ouders voor mijn neus. Weinig plichtplegingen: hier is hij, u redt zich er maar mee, aan het eind van de middag komen we hem weer ophalen. Ze wonen niet in Amsterdam en gaan gezellig de stad in.

Daar staat hij voor me, een blij vriendelijk kind als mijn sprekende stomme uit het Baskenland. Ik die zo gespannen was, krijg weldra mijn onbevangenheid terug. Hij snuffelt wat in mijn atelier rond. Bekijkt mijn schilderijen en roept steeds vol verbazing dat hij ze mooi vindt. ,,Mooi, mooi, maar nu moet er gewerkt worden. Aan het werk'', roept hij en wrijft in zijn handen. ,,Ik heet Lucas, heet jij ook zo?''

Hij krijgt zijn eigen ezel. Hij krijgt zijn eigen palet. Hij krijgt zijn eigen kwasten en zijn eigen kruk om op te zitten. Gretig drukt hij in de grote tubes als hij voor zijn doek gaat zitten. Ik naast hem. Voor mij iets nieuws. Ik werk altijd alleen. Ik duld niemand in mijn buurt als ik wat doe. Ik probeer schuchter een streekje hier en een streekje daar. Heel anders dan Lucas. Die gaat meteen kordaat aan de slag. Die houdt niemand tegen. Denk niet, omdat hij een mongool is dat er geen systeem in zijn aanpak zit. Vergis je niet. Ik gluur zo onopvallend mogelijk naar hem. Moet je eens zien wat hij aan het doen is. In een wildvreemde omgeving naast een wildvreemd iemand. Nieuwe kleur. Nieuwe kwast. Verdraaid, hij gluurt ook naar mij. Niet naar mijn schilderij, naar mij. Hij gaat een beetje verzitten zoals een schooljongen die een rotjochie naast hem niet gunt dat die van hem afkijkt. Lucas gromt. Hij gromt van inspanning. Wolken stijgen op. Nevelen rond bergtoppen. Een zon, een stralenkrans.

Ik knoei maar wat voort. Tegen zoveel moed ben ik niet opgewassen. Poten zie ik. Een hals met een kop eraan. Hij schildert een paard. Een vurig paard met grote oren. Meer oren dan paard.

,,Zo'', zegt Lucas, ,,ik ben klaar. Koffie?''

,,Je hebt een prachtig paard geschilderd, Lucas'', zeg ik.

Hij kijkt me met zijn eeuwenoude blauwe ogen aan. ,,Nee dit is een ezel. Echt waar, dit is een ezel.''

    • Jean-Paul Franssens