Het stille feest

Er liggen ijsblokjes in het Rijksmuseum, grote bakken ijsblokjes: er zijn weer eens kosten noch moeite gespaard voor het ensceneren van een tentoonstelling. Het ijs – nep, helaas – ligt in grote schelpvormige schalen waaruit vitrines met zilverwerk oprijzen: koelvitrines, zou je kunnen zeggen. Samen met suikergoedkleurige muren en gebogen vitrage-wanden dienen zij om de sfeer op te roepen van een weelderig diner anno 1750. Maar dan zonder het echt te laten zien, want stijlkamers vinden ze in het Rijks nog steeds het summum van oubolligheid.

In de rococotijd mocht de elite nog echt elite zijn. Wie erbij hoorde, at en kleedde zich, danste en keuvelde in een betoverde wereld waar 's zomers ijs in overvloed was en het geploeter van het volk zich ergens ver weg achter coulissen afspeelde. Porseleinen bloemblaadjes groeiden op kandelaars, en zilveren schalen in de vorm van één sierlijke golf leken door zeegod Neptunus zelf op tafel te zijn getild.

Wel sneu, dat juist in dit zorgelijke najaar van 2001 de grote rococotentoonstelling in het Rijksmuseum plaatsvindt. Vanuit het museum gezien lag het voor de hand, vijf jaar na de tentoonstelling De Lelijke Tijd, die de krullen en het fluweel van de negentiende eeuw voor het eerst weer voor het voetlicht bracht. Nu de postmoderne versieringsdrang alweer banaal is geworden, is Nederland rijp voor rococo. Het taboe op verguldsel en fineer is allang verdwenen onder trendgevoelige antiekliefhebbers, en dus werd het hoog tijd om ze het echte, dure werk te laten zien. Maar de tentoonstellingszalen in de Zuidvleugel (die ineens de Philipsvleugel heet, want Philips is founder van het Nieuwe Rijksmuseum, zo brabbelt de afdeling publiciteit) waren toen ik er was behalve feestelijk ook leeg.

Zelf houd ik wel van stille feesten, en zeker van uitgestorven museumzalen. Kuierend tussen zacht bewegende witte vitrages kon ik rustig bedenken wat mij nog het meest verbaast aan deze rococostijl. Het is dit: het aanroepen van de natuur op een manier die ons anno 2001 juist volstrekt onnatuurlijk aandoet. Met zoete blaadjes en golvende takken die verstard zijn tot kandelaars, theekistjes waarin zilveren bloemen groeien. Allercharmantst natuurlijk, maar natuur?

Sneeuwballen van bloesems op kostbare porseleinen vazen, mahoniehouten ranken die tegen kolossale deuren groeien, natuur? Het is een en al cultuur, het woord `groeien' is maar bij wijze van spreken. Niets woekert, een enkele kwabbigheid daargelaten – zoals aan het ondereind van een fantastische kroonluchter, waar rare ribbels doen denken aan ingewanden, of iets van een inktvis.

Maar de tentoongestelde voorwerpen zijn in de eerste plaats uitgelezen proeven van technisch kunnen. Het was ook de bedoeling dat je dat kon zien. De bezitters van al die schatten wisten heus wel van het minutieuze gepruts van ambachtslieden in bedompte werkplaatsen. Van de door honger en kou geplaagde meisjes die bij kaarslicht ranken op zijde borduurden voor peperdure herenvesten. Men wist dat het feest onbeschrijfelijk veel moeite had gekost, men wist dat voor één perfecte bloemenvaas twintig mislukte exemplaren waren weggegooid, of honderd, het verhoogde de status van die vaas en van zijn eigenaar. Maar tegelijk kon men dat gemakkelijk vergeten om te genieten van de o, zo natuurlijk gevormde bloemblaadjes.

Het toont maar weer dat je met de natuur alle kanten uit kunt. De natuur bestaat niet, natuur is wat mensen zeggen dat het is – en waarop zij al sinds eeuwen hun dromen projecteren. In de rococotijd was de natuur voor kunstliefhebbers een welkome afwisseling na de strenge artistieke regels van weleer: natuur betekende vloeiende lijnen in plaats van strakke lijsten, ongedwongenheid in plaats van symmetrie.

In onze tijd moet natuur ruig en primitief zijn, want zij is het geneesmiddel bij uitstek tegen wat al te kunstmatig is aan de moderne tijd. Geraffineerde techniek is niet te vertrouwen, ook niet in de kunst. Tuinen en wandelparken, waarvoor de rococo een grote voorliefde had, komen idioot genoeg in hedendaagse beschouwingen over `natuurbeleving' helemaal niet voor. Door mensenhand getemde natuur is namelijk geen natuur.

En wat moet je dan met een zilveren rozenknop op je theepot?