Een nacht dansen en drinken in musea

De Museumnacht (Museumn8) in Amsterdam is uitgegroeid tot een evenement waar duizenden op af komen. Met kunst kijken heeft het weinig te maken: er wordt vooral gedanst en in snel tempo van de ene plek naar de andere gehopst.

De Amsterdamse Museumn8 is een hit. Op de een of andere manier heeft de organisatie raak geschoten en is `de n8' op weg om tot een evenement van Uitmarkt-achtige proporties uit te groeien. Vorig jaar kwamen er 20.000 mensen, dit jaar 22.000. Ze bewegen zich per fiets, rondvaartboot, tram, trolleybus of gewoon te voet langs de 34 musea die voor een keer tot 2 uur 's nachts open blijven. De musea van Amsterdam zijn leuk en verdienen aandacht, is de achterliggende gedachte, ook van een publiek dat zijn tijd normaal gesproken liever elders besteedt.

En zowaar: precies deze mensen stroomden ook dit jaar toe. Het reguliere museumpubliek – de kinderen met juffen, de 65-plussers met kortingskaarten, de toeristen – blijft tijdens de n8 rustig thuis, en in plaats daarvan nemen horden snelle, goed geklede jongeren bezit van de musea. Ze hopsen in hoog tempo van de ene plek naar de volgende – het passe-partout van 25 piek geeft overal toegang – en bellen elkaar intussen om bij te houden wie waar is, en of het daar soms leuk is. Zo ja: eropaf!

Het risico van zo'n massale toeloop is hetzelfde als waar de Uitmarkt elk jaar om bekritiseerd wordt: steeds meer mensen die komen voor niets in het bijzonder, elkaar het zicht op de speciale attracties ontnemen en dan dus maar vruchteloos voortrazen. Met kunst kijken heeft dat weinig te maken. Hoeveel n8-bezoekers zouden voortaan echt vaker naar het museum gaan of zelfs een Museumjaarkaart kopen, zoals de organisatie hoopt?

Maar er is een andere kant: musea zijn 's avonds fantastische plaatsen om te zijn. De doorgaans saaie restauraties veranderen als bij toverslag in gezellige café's. Het donker van de nacht geeft de kunstwerken extra mysterie. En de mensen zijn ontspannen: er wordt gepraat en gelachen in plaats van besmuikt gefluisterd, zoals overdag schijnt te moeten. Elk museum blijkt ook plotseling in staat tot publieksvriendelijke initiatieven die het hele jaar door zouden werken. De luie zitkussens voor de projecties van dansfilmpjes in het Amsterdams Historisch Museum bijvoorbeeld, of de Laurel & Hardy-bioscoop met popcornkraam in het souterrain van het Van Gogh.

De live-muziek is overal een genot. Of het nu het Stupor Mundi-ensemble in het Bijbels Museum, de Franse deejay in Huis Marseille of de klezmer in het Anne Frank Huis is, overal wordt de museale stilte op een vrolijke manier doorbroken. Gedanst wordt er ook: in het overvolle restaurant van het Amsterdams Historisch wordt kort hiphop-les gegeven, in het Rijksmuseum leert men flamenco en quadrille. Dit `Bal du Rijks' was vorige keer zo'n succes dat het dit jaar voor de meesten beperkt blijft tot zicht op een hoofdenzee, maar in de aula van het Stedelijk kan iedereen vrij swingen op hits uit de jaren tachtig.

Naast dit grootschalige rumoer zijn er kleine, intieme evenementen, waar veel uitgeputte nachtgangers opgelucht halt bij houden. In een zolderkamertje van het Amsterdams Historisch houdt schrijfster Nelleke Noordervliet voor zo'n veertig man een knusse causerie over het uitgaansleven van Amsterdam in de jaren zestig, toen er in echte bruine kroegen nog echte kasteleins achter de tap stonden en elke lange nacht nog begon in Américain, waar jonge wolf Harry Mulisch het vrouwelijk schoon zat op te wachten. Ook Noordervliet werd eens door hem gewenkt, maar ze wees hem af, vertelt ze: ,,Gelukkig was hij sans rancune.'' In het Anne Frank Huis leest zanger Boudewijn de Groot voor uit het dagboek. Hij doet dat sloom en te zacht, maar men luistert en klapt eerbiedig.