Zonder toestemming

Het terugdraaien van de basisvorming luidt het einde in van het tijdperk van de grootschalige onderwijsvernieuwingen. In de afgelopen 25 jaar is het onmogelijk gebleken een uniforme wijze van uitvoering op te leggen aan het onderwijs. Je zou verwachten dat de beleidsmakers, zoals de Onderwijsraad, Onderwijsinspectie en het ministerie, hier lering uit hebben getrokken. Maar in de W&O bijlage van 20 oktober (`Thuis zonder toestemming') onderstreept de inspectie het belang dat zij blijft hechten aan normalisering: zij onderzoeken mogelijkheden om op kinderen, die vrijgesteld zijn van toezicht, toch toezicht te kunnen houden.

Door alle geluiden over het failliet van de basisvorming en het idee van de middenschool, zou het haast onopgemerkt blijven dat er ook nog scholen zijn, die al heel lang volgens de principes van de basisvorming werken en dat ook zullen blijven doen. Het feit dat deze scholen al voordat de Basisvorming een wettelijke verankering kreeg, voor deze onderwijsvorm gekozen hebben, geeft aan dat docenten blijkbaar heel goed weten wat wel en niet goed is in hun specifieke situatie, en voor hun specifieke leerlingen.

De beschrijving in de W&O bijlage van 20 oktober van het Urker gezin dat zijn kinderen thuishoudt, om ze daar beter onderwijs zouden kunnen krijgen, sluit hierbij goed aan. De ouders hebben de verantwoordelijkheid voor het onderwijs van hun kinderen van hun school overgenomen, of misschien beter: teruggenomen. Zij nemen hun rol als leerkracht vervolgens zeer serieus. De bezorgdheid van de inspectie is naar mijn mening daarom ook misplaatst: afgezien van een wat beperkt wereldbeeld, zullen deze kinderen heel goed onderwijs krijgen. De vader is zelfs vaste klant bij het Cito om de leerresultaten te kunnen bijhouden!

Deze voorbeelden geven aan, dat in bepaalde gevallen scholen en docenten heel goed weten op welke manier ze het onderwijs moeten vernieuwen om het beter te laten aansluiten op de specifieke situatie waar ze zich in bevinden. Die verschillen uiteraard per type onderwijs, maar ook per vestigingsplaats van de school.

De overheid zou er verstandig aan doen om meer ruimte te geven aan deze eigen deskundigheid van scholen en docenten. Het voornemen om scholen meer beleidsvrijheid te geven hoeft daarom niet 'de volgende zeperd' (in de woorden van Ton van Haperen) te zijn, maar biedt een kans om docenten en scholen aan te spreken op hun professionaliteit. Het geeft scholen de mogelijkheid om hun onderwijs te ontwikkelen op een manier die bij hun situatie en hun leerlingenpopulatie past. Tegelijkertijd legt het extra nadruk op de verantwoordelijkheid voor docenten om zich te verdiepen in de specifieke problematieken van de leerlingen die ze voor zich hebben.

De nieuwe trend om scholen meer beleidsvrijheid te geven, kan daarmee de eerste succesvolle grootschalige vernieuwing sinds jaren blijken te zijn.