Stormcentrum in de antropologie

Eind vorige maand (25 oktober) overleed de Amerikaanse cultureel antropoloog Marvin Harris (74) in zijn woonplaats Gainesville, Florida. Hij werd geboren in Brooklyn en groeide op in New York City. Van 1953 tot 1980 was hij als hoogleraar antropologie verbonden aan Columbia University. Nadien was hij tot vorig jaar werkzaam aan de University of Florida waar hij zich belastte met de opleiding van promovendi. Zijn onderzoek voerde hem naar Brazilie, Mozambique en India. Harris meende dat antropologie een vergelijkende discipline was gericht op het verklaren van lange-termijngeschiedenis.

Vanwege zijn vaak heftig verzet tegen alles wat gangbaar was in zijn vak en zijn provocerende stijl is Harris wel het `stormcentrum in de antropologie' genoemd. Maar ondanks (of misschien wel dankzij) zijn dogmatisme, fungeerde hij óók als voornaamste referentie, als een soort baken in het verbrokkelde antropologische landschap, met name in het debat tussen de zogenaamde `materialisten' en `mentalisten'.

Voortplanting

Harris behoorde tot de `materialisten'. Volgens hem moeten antropologen causale verklaringen bieden voor culturele verschillen en overeenkomsten. Daartoe moeten de materiële beperkingen van het menselijk bestaan bestudeerd worden: de behoefte aan voedsel, behuizing, gereedschap, voortplanting. De meest waarschijnlijke oorzaken van culturele verscheidenheid zijn volgens Harris te vinden in de verschillen in materiële kosten en profijt (benefits) bij de bevrediging van deze fundamentele behoeften.

De mentalisten echter, die in de culturele antropologie steeds meer de overhand gekregen hebben, zijn vaak wars van theorie en verklaring. Ze beschouwen cultuur als een tekst die vertaald, geïnterpreteerd moet worden. In deze vorm van symbolische antropologie is veelal weinig aandacht voor problemen van macht en de wordingsgeschiedenis van culturen, terwijl degenen die deze kwesties in hun werk centraal stellen, de neiging hebben symbolische vormen van ondergeschikt belang te achten.

In meer dan een dozijn boeken en aan de hand van treffende voorbeelden heeft Harris het cultureel materialisme op provocerende wijze uiteengezet. Eerst in zijn magistrale overzicht van de geschiedenis van antropologische theorieen, The rise of anthropological theory (1968). Kort daarna in zijn inleidende handboek Culture, people, nature waarvan sinds 1971 zeven edities zijn verschenen, en nadien in een serie artikelen die later in boekvorm zijn uitgekomen, zoals Cows, pigs, wars, and witches (1974) en Cannibals and kings (1977).

Bij een groter publiek is hij vooral bekend geworden door zijn theorie over voedseltaboes: het onreine varken en de heilige koe, en zijn verklaring voor kannibalisme. Zijn essays over deze onderwerpen illustreren treffend de kracht en de beperkingen van zijn cultureel materialistische benadering.

Varkensvlees

Het verbod op het eten van varkensvlees bij joden en moslims en dat op rundvlees bij hindoes verklaart Harris uit omgevingsfactoren in wisselwerking met technologie en bevolkingsdruk. Met de ontbossing en verwoestijning in het Midden Oosten, die het gevolg waren van uitbreiding van de landbouw en veeteelt en de bevolkingsgroei, kwam in de prehistorie het houden van varkens onder druk te staan. Zo kon deze goedkope producent van vet en proteïne niet langer gehandhaafd worden zonder de pijlers van de voornaamste voedselproductie (schapen en geiten) in gevaar te brengen. Maar de verleiding om varkens te houden bleef bestaan. Vandaar het verbod op het eten van varkensvlees zoals vastgelegd in de heilige voorschriften van de oude Israelieten. Harris tekent hierbij aan dat deze verklaring voor de oorsprong van het taboe niet geldt voor het voortbestaan van het taboe in onze tijd. Maar eenmaal tot stand gekomen, verkreeg het verbod op het eten van varkensvlees (en ander voedsel) de functie joodse etnische minderheden af te grenzen van andere groepen en bij te dragen tot hun samenhorigheid en de vorming van hun identiteit.

Harris volgde eenzelfde gedachtengang in zijn verklaring voor het taboe op het eten van rundvlees in India. Aan de classificatorische theorieën over voedseltaboes van o.a. Mary Douglas en Edmund Leach, waarin de nadruk valt op het onduidelijke karakter van de betrokken dieren vanwege hun tussenpositie in het vigerende classificatiesysteem, had Harris geen boodschap.

Een derde voorbeeld waarin Harris zijn werkwijze illustreert betreft het kannibalisme. Het eten van mensenvlees behoort met het incestverbod en het doden van de medemens tot de universele taboes. Op grond van een uitgebreide documentatie meende Harris echter dat kannibalisme algemeen voorkwam, zowel in tribale samenlevingen waar verslagen vijanden werden opgegeten bij gebrek aan andere manieren hen te `incorporeren' - en wellicht ook vanwege een tekort aan eiwitten. Met de ontwikkeling van staten werd het veroverde gebied gewoonlijk ingelijfd en de verslagen bevolking verplicht tot het verrichten van arbeid of het betalen van belasting – en verdween het kannibalisme. Het Azteekse rijk vormde op deze regel een uitzondering. Hoe machtiger het rijk werd hoe meer oorlogen er gevoerd werden en hoe meer krijgsgevangen er werden geofferd. Harris zou Harris niet zijn geweest als hij voor dit gebruik geen cultureel materialistische verklaring had gevonden. Met de groei van de bevolking en de uitputting van de veestapel waren in het Azteekse rijk weinig producenten van proteïne overgebleven. Om nu aan deze behoefte te voldoen en toch de uitbreiding van het rijk voort te zetten kon het Azteekse bewind de consumptie van mensenvlees niet verbieden. Op grond van een eiwittekort ontwikkelde kannibalisme zich tot een culinaire praktijk. Op deze wijze kon Harris materiële factoren prioriteit geven in het traceren van militarisme en een offercomplex uit een verondersteld eiwittekort.

Nomothetisch ideaal

Harris behoorde tot een generatie van vooraanstaande antropologen die kort na de tweede wereldoorlog werd opgeleid aan Columbia University in New York. Samen met de later eveneens beroemd geworden Eric Wolf en Sidney Mintz en onder leiding van Julian Steward zocht Harris de verklaring voor culturele verschillen en overeenkomsten in materiële omstandigheden (fysisch milieu, technologie, bevolkingsdruk). Waar Steward, Wolf en Mintz meer oog hadden voor de historisch bepaalde wisselwerking tussen ecologie en cultuur, hield Harris vast aan een nomothetisch (wettenstellend) ideaal en een monocausaal model.

In het door hem ontworpen en gepraktiseerde culturele materialisme is Harris zeer ver gegaan; volgens velen te ver. Ook al noemde hij zijn benadering niet een theorie maar een `strategie', Harris maakte er geen geheim van dat hij, in het voetspoor van Darwin en Marx, zocht naar wetmatigheden in de werking van materiële factoren op de ontwikkeling van het denken en handelen van mensen.

Aanvankelijk werd Harris' werk in de antropologie positief ontvangen. Het paste goed in de toenmalige belangstelling voor materialistische, met name marxistische benaderingen. Maar met de wending in de antropologie naar vragen omtrent betekenis en zingeving en het in de mode raken van het cultureel relativisme, waaraan de naam van Clifford Geertz verbonden is, verloor het cultureel materialisme veel van zijn bekoring. Echte aanhangers waren er nauwelijks meer. Toch wordt Harris' werk nog steeds gelezen, getuige de talrijke herdrukken en nieuwe edities van twee van zijn belangrijkste boeken, die als samenhangende inleiding en als polemisch overzicht van antropologische theorievorming nog niet zijn overtroffen.

Anton Blok is emeritus hoogleraar culturele antropologie Universiteit van Amsterdam

    • Anton Blok