Spijt

Ze vormden de voorhoede van de euthanasiepraktijk, nu komen ze daarop terug. Amsterdamse huisartsen ontdekken hoe je een zieke naar een natuurlijke dood kunt begeleiden. Bij collega's in het hele land groeit hetzelfde inzicht: `Er zijn mensen aan euthanasie doodgegaan waarvan ik denk: als ik toen wist wat ik nu weet, dan was het anders gelopen.'

Hij kijkt in zijn flat in Diemen rond met die speciale blik van mensen die niet lang meer leven. Een onthechte blik: jij zit daar, ik nog hier, maar eigenlijk raak ik al mijlenver van je verwijderd, ik ben al aan het weggaan. Hans van Hassel is vierenzestig, hij wil dood en nou laten ze hem niet.

Ruim drie jaar heeft hij nu een dikkedarmkanker, met uitzaaiingen naar lever en longen. Soms lijkt hij ,,dan eindelijk'' te zullen sterven, zoals begin september. Maar een paar dagen later kan het dan toch weer beter gaan, zoals nu. Fysiek dan hè, zegt Hans van Hassel. ,,Lijden is ook als je de dingen die je wilde, voor jezelf, als je die niet waar kunt maken. De euthanasie dus.''

In een plastic mapje bewaart hij drie schriftelijke euthanasieverklaringen, de eerste is twaalf jaar oud, de nieuwste is gedetailleerder, en dwingend: ,,Op is op!'' staat daar onder meer. Hans van Hassel mokt: ,,Maar dat maakt kennelijk ook niet meer uit, tegenwoordig.'' En hij kijkt nog maar eens assertief naar zijn huisarts naast hem, Wim Blaauw. Die glimlacht. Daar gaan we weer.

,,Het is een enorme worsteling met Wim'', zegt zijn vrouw Mieke van Hassel (58). ,,Wim wil niet euthanaseren. Nog niet. We krijgen wel heel veel aandacht en zorg van hem, en daar zijn we blij mee. Maar jeminee. We hadden ons de euthanasie toch wel iets simpeler voorgesteld.''

Wim Blaauw: ,,Het léven is nu eenmaal niet simpel, Mieke.''

Blaauw is niet religieus of uit een ander principe tegen de euthanasie. Integendeel, hij is vóór. Net als de groeiende groep huisartsen, die desondanks steeds gereserveerder tegenover de dood op verzoek komt te staan. En die daarnaar ook handelt. Sommige van hen zeggen het hardop: ,,We hebben met euthanasie de omgekeerde weg bewandeld, het is te gemakkelijk geworden.''

Soms ontdek je bij toeval dat iets grondig aan het veranderen is. Dat gebeurt op een woensdagavond in oktober, in het Amsterdamse Academisch Medisch Centrum (AMC). Hier komen, zoals iedere drie maanden, de huisartsen van `SCEA' bijeen om bij te praten. SCEA staat voor Steun en Consultatie bij Euthanasie in Amsterdam. De SCEA-artsen vormen wat de euthanasie betreft een voorhoede. Zij namen in 1997 als eersten het initiatief om collega's in alle openheid bij te staan in euthanasiezaken. De `euthanasieconsulenten' kregen landelijk navolging, onder de gemeenschappelijke noemer `SCEN' (Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland). De second opinion die de wet nu eist voordat een arts euthanasie mag geven, komt vaak van deze artsen.

Ze waren nooit bang voor euthanasie. Terwijl een gemiddelde huisarts jaarlijks maximaal twee keer een euthanasieverzoek krijgt, zijn zij er ook nog vijftien- tot twintigmaal per jaar in de praktijk van collega's bij betrokken. Hun werk is soms grensverleggend P. Sutorius, de huisarts die nu terechtstaat wegens hulp bij zelfdoding aan oud-PvdA-senator Brongersma, die `klaar met leven' was, was SCEN-arts.

De consulenten zelf hebben óók feedback nodig. Vandaar de driemaandelijkse sessie hier in Amsterdam, die ze zelf de `intervisiegroep' noemen. Ze bespreken er euthanasiezaken waarmee ze recentelijk te maken kregen en die vragen oproepen. Sommigen noemen het gekscherend ,,onze uithuilsessie''. Het kostte moeite er eens bij te mogen zijn dat was nog niet gebeurd en het ging er ,,nogal emotioneel'' aan toe, werd gewaarschuwd. De verwachting was dat de avant-garde van de euthanasie hier de ene na de andere grensverleggende casus zou komen bespreken. Zo gíng het ook lange tijd.

Maar dit gebeurt deze woensdagavond: het eerste uur wordt opvallend terughoudend gesproken over de zaak-Brongersma, een meerderheid blijkt pertinent tégen hulp bij zelfdoding aan mensen die niet ziek, maar klaar met leven zijn.

En na de pauze en de broodjes neemt huisarts Joke Groen-Evers met zachte stem het woord: ,,Jongens, ik heb een mededeling te doen. Ik vind dat ik met euthanasie aan de verkeerde kant begonnen ben. Dus ik ga stoppen als SCEA-consulent. Ik kan het voor mezelf niet meer verantwoorden. De wet eist dat we alle andere mogelijkheden hebben onderzocht voordat we euthanasie geven. Maar dat gebeurt te weinig, zie ik nu.''

Eerst staken ze hun nek uit voor de euthanasie, nu verandert dat.

Iedereen bij SCEA toont begrip voor Joke Groen-Evers, drie artsen steunen haar standpunt expliciet: Nico Mensing van Charante, Ruben S. van Coevorden en Willem Budde. Later blijkt dat zij mét Groen-Evers en enkele anderen nog een aparte groep binnen SCEA vormen: ze noemen het de peergroup palliatieve zorg en gezamenlijk bestuderen ze de manieren die er zijn om het lijden te verzachten. Ook verbonden ze zich aan een `telefonische helpdesk', waar andere huisartsen met vragen over pijnbestrijding terechtkunnen. Zodat het mogelijk níet tot euthanasie hoeft te komen en mensen een natuurlijke dood kunnen sterven. Alle vier stemmen later in met een afzonderlijk gesprek.

,,Uit onkunde en onwetendheid worden mensen de euthanasieprocedure ingesluisd aan wie nog heel wat kwaliteit van leven geboden zou kunnen worden'', zegt Van Coevorden dan.

,,Als je aandacht jarenlang zó op euthanasie gericht is geweest, dan heb je soms een blinde vlek voor andere mogelijkheden'', zegt Budde.

Groen-Evers: ,,Er zijn een paar mensen aan euthanasie doodgegaan van wie ik denk: als ik toen wist wat ik nu weet, dan was het anders gelopen.''

In het hele land, blijkt al snel, zijn huisartsen recentelijk in `palliatieve peergroups' gaan werken. Vijfentwintig zijn er nu, waarin ruim 130 huisartsen zijn verzameld. ,,Het is alsof er onder huisartsen een tegenbeweging tegen euthanasie op gang komt'', zegt Bernardina Wanrooij. Vanuit de afdeling huisartsengeneeskunde in het Amsterdamse AMC heeft zij het beste overzicht zij verstrekt alle `peergroups' studiemateriaal over `leedverzachtende' zorg.

Dit was altijd het verwijt uit het buitenland: Nederland volgt de omgekeerde weg, door de euthanasie tiptop te regelen en andere mogelijkheden om lijden te verzachten te laten lopen. Het wás de omgekeerde weg, zeggen de huisartsen nu. Budde: ,,Het is ook gewoon een kwestie van mode, denk ik. Wij zijn evengoed followers of fashion als anderen.''

Na jaren van debat werd de euthanasiewet dit voorjaar aangenomen. En toen zagen veel huisartsen hun patiënten veranderen. Huisarts Willem Budde: ,,Voordat de euthanasie wettelijk was geregeld, was het anders. Dan zeiden je patiënten: `Dokter, ik weet dat het ook hartstikke moeilijk voor ú is.' Maar nu raak je in een soort onderhandeling met je patiënt verzeild: `Het kán toch?' Dan denk ik wel eens: ja god, u gaat dood, maar waarom moet uw dokter u die dood nou twee weken eerder brengen?''

,,Het is alsof wij artsen door de wet over een grens zijn gedrukt'', zegt Bernardina Wanrooij. ,,Patiënten claimen nu het recht op euthanasie, patiënt verzoekt niet meer om, maar eist de dood. Zo hebben we het nooit bedoeld.''

Huisarts Ruben S. van Coevorden noemt dat het krokettenautomatisme: ,,Gooi er geld in en er komt een kroket uit gooi er een verzoek in en er komt euthanasie uit. Zo zijn patiënten door de nieuwe wet gaan denken. Maar de euthanasiewet was niet voor hen bedoeld die was voor óns. Om straffeloos weg te komen.''

In de euthanasiewet zijn zes criteria vastgelegd waaraan een arts zich moet houden. Zo moet hij `medisch zorgvuldig' handelen en is hij verplicht een tweede arts in te schakelen, die oordeelt over de vier zogeheten zorgvuldigheidseisen: heeft de behandelend arts zich ervan overtuigd dat de patiënt vrijwillig en weloverwogen om de dood verzoekt? Dat het lijden van patiënt uitzichtloos en ondraaglijk is? Heeft hij de patiënt alles uitgelegd over diens situatie en de vooruitzichten? En is hij samen met de patiënt tot de overtuiging gekomen dat er geen redelijke andere oplossing voor deze situatie is dan de euthanasie?

Over die laatste eis, de redelijke andere oplossing, gaat het hier. ,,Zonder voldoende kennis van de middelen om lijden te verzachten kun je de ondraaglijkheid en uitzichtloosheid van dat lijden niet beoordelen. Of huisartsen dat kunnen? Dat lijkt me zeer discutabel'', zegt Nico Mensing van Charante. Die andere oplossing heeft de naam palliatieve zorg de term helpt ook al niet. Er bestaat geen sluitend synoniem voor en veel patiënten weten dan ook niet precies wat het is. Palliatieve zorg is stervensbegeleiding, maar niet alleen. Het omvat alle mogelijke middelen om iemands lijden te verzachten. Aandacht kan een palliatief middel zijn, morfine ook. In ieder geval kan palliatieve zorg niet genezen, alleen verzachten. Het betekent veel praten, veel tijd vrijmaken, steeds op tijd uitpuzzelen hoe een patiënt zo pijnloos mogelijk door een volgende fase van een ziekte kan worden geholpen, tot hij overlijdt.

Palliatie werd bekend door de zogeheten hospices, huizen waar zieken de laatste weken voor hun sterven begeleid worden door aandachtige vrijwilligers en in pijnbestrijding gespecialiseerde verplegers en artsen. Maar palliatieve zorg kan ook thuis gegeven worden en de meeste mensen willen thuis sterven. Daar komt de huisarts in beeld.

,,Palliatieve zorg hoort ook bij uitstek bij de huisarts'', zegt Joke Groen-Evers. ,,Vroeger was het: u moet piepen en dan kom ik. Maar je moet vaste bezoeken afleggen. Anticiperen op wat zeker komen gaat. Niet vragen: Heeft u nog pijn? Maar: Waar kan ik de pijn verzachten?'' Het vereist grotere betrokkenheid, zegt ze. Als zij een stervende begeleidt, krijgt deze ook haar privé- en mobiele nummer. ,,En de laatste twee weken ga ik de stad niet meer uit.'' Voor goede palliatie moet je ook meer van pijnbestrijding weten, zegt ze. ,,Zelf wist ik er jarenlang niet genoeg van om goed te kunnen inschatten of ik aan die laatste zorgvuldigheidseis had voldaan als ik ging euthanaseren. Bij `deze patiënt verdraagt geen morfine', hield het op.''

Vroeger, zegt Groen-Evers, vond ze dat ze het woord `euthanasie' één keer moest laten vallen als ze een ongeneeslijk zieke, uitbehandelde patiënt had. ,,Anders zouden mensen er niet over durven praten, dacht ik. En negen van de tien keer kwamen patiënten later met een euthanasieverzoek.'' Sinds ze zich drie jaar geleden in de palliatieve zorg ging verdiepen, gebruikt ze het E-woord bewust niet meer. ,,En wat blijkt: bijna niemand vraagt er meer naar!''

Komt dat niet doordat patiënten dat gewoon niet durven, als zij het woord niet noemt? ,,Nee, het was echt niet meer nodig. Patiënten laten zich ook veel meer beïnvloeden dan artsen beseffen. Noem je euthanasie, dan vragen ze daarom. En noem je palliatieve zorg, dan wordt het dat.'' Vroeger gaf ze zo'n twee keer per jaar euthanasie. ,,De laatste drie jaar heb ik nog wel euthanasieverzoeken gehad maar ik heb dankzij mijn palliatieve kennis niet één keer meer euthanasie hoeven geven.''

'Het mag nooit zo zijn dat een arts en een patiënt samen beslissen over euthanasie, terwijl de arts onvoldoende op de hoogte is van de mogelijkheden die palliatieve zorg biedt'', liet minister Borst (Volksgezondheid) al in 1996 weten. Maar waar moesten huisartsen die speciale, `leedverzachtende' kennis vandaan halen?

Vervolg op pagina Z2 (26)

Spijt

Vervolg van pagina Z1 (25)

Toen hij zijn praktijk ruim 20 jaar geleden begon, zegt Ruben S. van Coevorden, was het een kwestie van het voorschrijven van genoeg vesperax-slaaptabletten. ,,Dan gingen ze vanzelf de pijp uit. Mijn eerste euthanasiegeval was iemand die vesperax spaarde met mijn medeweten ik schreef iedere week tabletjes voor. En toen ze genoeg had en die innam, was ik erbij.''

Dat het euthanasíe was knaagt niet zozeer, zegt hij. ,,Wat knaagt is: als ik tóen wist wat ik nu weet van palliatieve zorg, hadden sommige mensen een natuurlijke dood kunnen sterven met méér kwaliteit van leven.'' Groen-Evers zei het al; Budde zal het ook zeggen. En Mensing van Charante. Allemaal kenden ze zulke patiënten, die de euthanasie toén met hun instemming kregen, maar inmiddels waarschijnlijk niet meer.

Tóen wisten ze eenvoudigweg niets beters.

Neem Bernardina Wanrooij, die niet helemaal toevallig besloot de kennis van palliatieve zorg te helpen verbeteren in de `peergroups', iets waarvoor ze zelfs haar huisartsenpraktijk opgaf. Haar moeder leed aan een ongeneeslijke kanker toen daarop nog een taboe rustte – in 1972. Zelfs de laatste weken van haar leven wilde haar vader er niet van weten, die noemde het `een ontsteking'. ,,Ook onze huisarts liet het afweten. En de verpleegster die we thuis kregen durfde geen pijnstillende injecties te geven.'' Zelf studeerde Wanrooij nog medicijnen, derdejaars was ze. ,,Dus gaf ik de injecties zelf maar. En na één van die injecties is ze binnen een half uur dood gegaan.'' Ze schiet vol. ,,Daar heb ik jarenlang mee gezeten!''

Van de huisartsenopleiding maakte palliatieve zorg tot een jaar geleden nauwelijks deel uit – pas sindsdien is er binnen huisartsengeneeskunde meer aandacht voor. In april werd de euthanasiewet door de Eerste Kamer aangenomen en daarna nog, in september van dit jaar, dienden de ChristenUnie en de PvdA een motie in waarin het kabinet om versterking van de palliatieve zorg, en de scholing daarin, wordt gevraagd. Dat was overigens niet de eerste motie, liet het CDA daarbij nog fijntjes weten.

,,Zonder kennis van palliatieve zorg kan ik niet vaststellen of lijden ondraaglijk en uitzichtloos is, zoals de euthanasiewet vereist'', beaamt ook Nico Mensing van Charante. Maar huisartsen krijgen er ook zo weinig mee te maken, zegt hij: ,,Een huisarts krijgt hooguit twee, drie keer per jaar een patiënt voor wie alles uit de kast moet. En dan gaat het nog om steeds andere ziektebeelden, die hij misschien maar eens in de tien jaar ziet.''

Het lijkt paradoxaal, zegt Mensing van Charante, maar juist de verruiming van de euthanasieregels doet de vraag naar kennis van palliatieve zorg ook onherroepelijk toenemen. Neem de zaak-Chabot, waarbij de rechter al in 1994 vaststelde dat ook psychisch lijden ondraaglijk kan zijn. Inmiddels staat dat ook in de wet. ,,Het gebied waar je palliatief nog wat kunt uitrichten, is met het verlaten van het terminale stadium in de euthanasieregels veel groter geworden. Plastisch gezegd helpen we nu mensen doodgaan die best nog een jaar kunnen leven dán mag je geen depressie over het hoofd zien die voor ondraaglijk lijden wordt aangezien, terwijl die met een pilletje is te verhelpen. Dan wordt palliatieve kennis heel belangrijk.''

Lijdt Hans van Hassel, doodziek in Diemen, nu echt ondraaglijk, of niet? Voor zijn huisarts is het antwoord op die vraag niet zo vanzelfsprekend als voor Van Hassel zelf. Mieke van Hassel begrijpt dat: ,,Je moet weten: Hans is iemand van uitersten. En een vechter. Jarenlang heeft hij gevochten ik héb geen kanker. Terwijl hij al doodziek was, maar het hield hem lange tijd op de been. En nu vecht hij net zo hard om dood te willen.''

Is het misschien zo, dat Hans van Hassel graag zelf de touwtjes in handen houdt – of dat nu dood of levend is? Dat hij zélf wel bepaalt of hij kanker heeft en dat hij, als dat niet meer te ontkennen is, zélf wil bepalen wanneer hij daaraan dood gaat? Hans van Hassel straalt, Wim Blaauw knikt stil, Mieke glimlacht: ,,Ze hebben je door, Hans.''

Maar ondraaglijk lijden is dat volgens de wet niet echt. En bovendien ging het wel wat bruusk. Mieke: ,,Hans zei: ik neem een spuitje en de rest is jouw pakkie-an.''

Pas sinds een paar weken praten ze er met familie over. Een schoonzus heeft beloofd meteen te komen als het toch tot euthanasie komt, voor Mieke. En ze verzamelen nu adressen voor de rouwkaarten. Wim Blaauw: ,,Ik vind dat wel prettig om te horen. Nu zijn jullie iets aan het afronden.''

Het proces van sterven is zinvol genoeg om de euthanasie nog even uit te stellen, vindt Van Coevorden. ,,Wie religieus is kan tijdens het sterven nader tot God komen. En wie dat niet is, kan klaar met leven komen. Dat is even belangrijk het wegglijden van een patiënt, hoe verschrikkelijk ook om te zien, brengt mensen nader tot elkaar.''

Hij is zelf joods, religieus ook, als enige in de Amsterdamse `palliatieve peergroup'. ,,Maar ik heb altijd geprobeerd dat niet mee te laten wegen.'' Ook zijn praktijk in de Amsterdamse wijk Buitenveldert is overwegend joods, en ofschoon het onder joden ,,eigenlijk niet hoort'' bereiken hem regelmatig euthanasieverzoeken. Daarnaast zijn er nog de euthanasiezaken die hij als SCEA-consulent begeleidt. ,,Daar ging ik inzien dat een groot deel van de euthanasieverzoeken voortkomt uit onwetendheid over palliatieve mogelijkheden. SCEA-artsen worden er dan ook vaak te laat bij gehaald. Patiënten is al euthanasie toegezegd en dat maakt het bijna onethisch om over andere mogelijkheden te beginnen.''

Als mensen plotseling in een heel pijnlijke terminale fase belanden, had Groen-Evers gezegd, waarbij de familie `Doe iets!' staat te roepen, dan krijgen ook huisartsen de zenuwen. En dat maakt ze al snel geneigd op een euthanasieverzoek in te gaan. Van Coevorden: ,,Zelfs als je iemand ziet stikken kun je palliatief iets doen. Een snufje dormicum, een snuifje morfine. En de omgeving die `Doe iets' roept? Daar moet je niet van in paniek raken, daar moet je een arm omheen slaan: Ja mensen, opa gaat nu dood.'' Ook hij denkt dat veel huisartsen ,,uit palliatieve onkunde, uit zenuwachtigheid, snel maar tot euthanasie beslissen''.

Het wordt gestaafd door het eerste onderzoek dat aan de Vrije Universiteit in Amsterdam is uitgevoerd naar het werk van alle SCEN-artsen in Nederland. Ze ontdekten dat een kwart van de huisartsen die in 2000 de vereiste second opinion aan een SCEN-arts vroegen, vóór dat consult al had besloten het euthanasieverzoek van een patiënt in te willigen. En maar liefst de helft van de huisartsen had dat zelfs al toegezegd aan de patiënt. Bovendien maakt een derde van de huisartsen van de besluitvorming over euthanasie ,,ten onrechte'' een ,,haastklus'', stellen de onderzoekers.

Anders dan Joke Groen-Evers willen Ruben S. van Coevorden, Nico Mensing van Charante en Willem Budde SCEA-arts blijven. Juíst om collega's die op het punt staan euthanasie te geven, op palliatieve mogelijkheden te wijzen. Van Coevorden zegt tegenwoordig: ,,Ik respecteer uw euthanasiewens, maar staat u mij toe eerst uw lijden te verzachten?'' ,,En vaak komt de euthanasie er dan niet meer van.''

In Diemen heeft Hans van Hassel al meermalen om euthanasie verzocht als het begin september echt een eis wordt. Zijn vermoeidheid, die door veel kankerpatiënten als ondraaglijker dan pijn wordt ervaren, is voor hem dan echt niet meer te harden. Hij zegt Wim Blaauw dat hij ,,dus eindelijk dat spuitje hebben moet''. ,,Maar wat krijg ik? Ik krijg Willem Budde aan mijn bed!''

Budde, SCEA-arts uit de `palliatieve peergroup'. Huisarts Blaauw schakelt hem in om twee redenen: ,,Ik wilde zeker weten of we alle mogelijkheden om Hans' lijden te verlichten hadden gehad. En ik wilde de vereiste second opinion alvast geregeld hebben, zodat ik Hans zo nodig snel de euthanasie zou kunnen geven.''

,,Met Budde kon ik niet goed overweg'', zegt Hans van Hassel. Budde accepteerde de euthanasiewens van Van Hassel zomaar niet, beaamt hij later. Hij sprak ruim anderhalf uur met hem en met Mieke. En vond Van Hassel op dat moment te verward om van een weloverwogen verzoek te kunnen spreken. Van Hassel: ,,Ach ja. Eigenlijk was Budde wel heel geïnteresseerd. Ik werd gewoon boos omdat hij mij mijn zin niet meteen gaf.'' Budde suggereerde collega Blaauw eerst een middel tegen verwardheid voor te schrijven. Later kwam daar ritalin bij, een kalmeringsmiddel voor hyperactieven dat op dodelijk vermoeide mensen juist een tegengesteld effect kan hebben. En de ritalin sloeg inderdaad aan, beaamt Hans van Hassel.

,,Zes weken geleden had hij een acute euthanasiewens'', had Budde over Van Hassel gezegd, ,,en hij leeft nog steeds!'' Een beetje triomfantelijk klonk dat wel. ,,Ik bedoel dat niet trots, maar palliatieve zorg geeft me het zelfvertrouwen terug dat de laatste tijd juist aan het afnemen was. Het is een manier om nee te zeggen tegen een euthanasie-eis. Om nee te zeggen, en toch iets te bieden te hebben.'' De omgang van dokters met de dood was altijd al gecompliceerd, zegt hij. ,,Het raakt je professioneel, maar vooral persoonlijk. En euthanasie gaf daar iets bijzonders aan. De brieven vol lof die ik heb ontvangen, kwamen altijd van nabestaanden van euthanasie.'' Met de dood omgaan heeft ,,iets magisch''. Budde wist nog goed hoe dat voelde, de eerste jaren dat hij de euthanasie gaf. ,,Daar liep je, met je koffertje vol euthanatica over straat, dat hád iets: een mengeling van zorg en macht. Maar dat voorhoedegevoel is er nu wel af. Het lijkt nu soms alsof wíj de patiënt moeten overtuigen dat hun lijden echt niet ondraaglijk is.''

Hij was even stil. ,,Misschien heeft het ook met je eigen leeftijd te maken. Ik ben nu drieënvijftig. Dan ga je toch anders denken over de dood. Of ik euthanasie zou willen? Nee.''

Hans van Hassel is dus kwaad op zijn huisarts Wim Blaauw geweest, kwaad op Willem Budde en weer kwaad op Blaauw. Van Hassel kreeg geen euthanasie, maar 's morgens zijn tabletje ritalin, en hij knapte op. Inmiddels krijgt hij ook een halve ritalin in de middag. ,,Er treedt gewenning op, ik merk dat het effect afneemt.'' Hij kijkt zijn huisarts Blaauw nog eens diep in de ogen: ,,Wim, ik begrijp jouw standpunt. Maar volgende week zitten we hier weer te discussiëren over mijn spuitje.''

    • Margriet Oostveen