`Poedermalloot' gestraft op verkeerde grond

Veroordeling voor het versturen van poederbrieven moet bij voorkeur niet plaatshebben op grond van `bedreiging', zoals onlangs in Rotterdam is gebeurd. Andere artikelen uit het Wetboek van Strafrecht zijn meer van toepassing, vindt K. Lindenberg.

Twee maanden gevangenisstraf, waarvan een maand voorwaardelijk: dat was de `prijs' die de Rotterdamse politierechter eind oktober een man liet betalen voor het versturen van een poederbrief. Het openbaar ministerie had de man twee misdrijven ten laste gelegd: artikel 285 Wetboek van Strafrecht (`bedreiging met een ernstig misdrijf') en artikel 142 (`verstoring van de rust').

Hoewel voor de bedreiging vrijspraak voor de hand lag, werd de man hiervoor wel veroordeeld. Daarentegen lag een veroordeling wegens verstoring van de rust voor de hand maar daarvan werd de man vrijgesproken. De verdachte heeft vanzelfsprekend alleen tegen de veroordeling hoger beroep aangetekend. Het zou de man wellicht nóg een vrijspraak kunnen opleveren.

Het OM gebruikt bij de vervolging van veel poederbriefzaken artikel 285. Deze `bedreiging met een ernstig misdrijf' zou aantrekkelijk zijn en juridisch weinig problemen opleveren. Een nadere inspectie van artikel 285 leert echter dat het niet van toepassing is op de meeste poederbriefzaken.

Men kan met de algemene betekenis van `bedreiging' twee kanten op. Eén: iets ergs staat op het punt te gebeuren (`er dreigt een aardbeving'). Twee: iets ergs wordt in het vooruitzicht gesteld (`hij dreigt mij te gaan slaan'). In de poederbriefzaken wordt artikel 285 de eerste betekenis toebedacht. De essentie van artikel 285 ligt echter in de tweede betekenis. Het artikel beschermt tegen bedreigingen die (al dan niet terecht) vrees veroorzaken voor een toekomstige uitvoering door de dader. Bedreigingen als `ik ga jou ooit verkrachten' en `als jij niet meewerkt, schiet ik je dood' zijn typische artikel 285-gevallen.

Een poederbrief vergezeld van een kattebelletje `de volgende keer is het echt antrax' kan ook vallen onder artikel 285. In de Rotterdamse zaak stopte de werknemer tevens een printje over de werking van de miltvuurbacterie in de poederbrief. Hoe `bedreigend' ook de gecreëerde situatie, niets duidt in deze zaak op een strafrechtelijke bedreiging. De ontvanger kon niet bang zijn voor het voornemen van de verzender in de toekomst een ernstig misdrijf te gaan plegen. Tot nu toe bevatten de meeste poederbrieven in Nederland melkpoeder, waspoeder en fijngemalen snoephartjes, zo nu en dan begeleid door een verwijzing naar miltvuur. Hier is geen sprake van artikel 285 Wetboek van Strafrecht.

Onder het motto what's in a number kan men van mening zijn dat het niet uitmaakt voor welk artikel de poedermalloten straf krijgen. Als zij maar een beetje straf krijgen. Hoe begrijpelijk dit gevoel wellicht ook is, het is goed dat ons strafrecht zo niet in elkaar zit. Als rechters zouden smokkelen met de betekenis van afzonderlijke strafbepalingen ten behoeve van de veroordeling van die ene verdachte, worden die bepalingen opgerekt. Door die uitholling wordt steeds minder duidelijk wat wel mag en wat niet.

Op welke juridische gronden moeten verstuurders van poederbrieven dan wel juridisch worden aangepakt?

Als voor het strafrecht wordt gekozen, dan ten eerste voor artikel 142 (`verstoring van de rust door valse signalen'). Dit was in de Rotterdamse zaak ook tenlastegelegd, maar de verdachte werd hiervan vrijgesproken; de politierechter vond dat de `valse signalen' tenminste hoorbaar moesten zijn geweest. Eerdere rechtspraak zegt echter dat `signalen' ook alleen zichtbaar kunnen zijn. Aan `verstoring van de rust' voldoet daarom ook het incident met het vliegtuigservetje. Hierop stond de tekst `bom aan boord' gekrabbeld. Het kwam via de catering uiteindelijk terecht bij een vliegtuigpassagier die alarm sloeg. Niet valt in te zien waarom het in een gemiddelde poederbriefzaak anders zou zijn. Artikel 142 is bovendien proportioneel: het beschermt de openbare orde. De commotie in en rond een getroffen bedrijf, de acute inzet van allerlei overheidsinstanties – dit zijn typische kwesties van openbare orde.

Een ander bruikbaar instrument is artikel 284 Wetboek van Strafrecht, het algemene dwangdelict (`iemand dwingen iets (niet) te doen of te dulden'). Maar de tekst van dit artikel is helaas al zo ruim, dat de krantenlezer er ook onder valt. Zit nu iemand bij u in de buurt? Door in zijn of haar nabijheid te gaan zitten dwingt u diegene tot het dulden van uw aanwezigheid. Onzin? Ja, maar het scheelt niet veel. Heel veel situaties kunnen onder strafbare dwang (284) vallen.

In de poederbriefzaken kan het artikel wel correct worden gehanteerd. Het OM moet de verdachten dan het volgende verwijten: zij hebben door het versturen van de poederbrieven de ontvanger gedwongen iets te doen (hulpdiensten inschakelen), iets niet te doen (niet doorgaan met normale werkzaamheden) of te dulden (angst voelen en betrokken worden bij panieksituaties).

Het moge duidelijk zijn dat voor het behoud van helder strafrecht artikel 285 in de meeste poederbriefzaken niet moet worden gebruikt. Misschien ontspringen sommigen de dans totdat het OM met aangepaste tenlasteleggingen komt. Maar weet: geduld is een bitter kruid, maar draagt een goede vrucht.

Mr. K. Lindenberg is strafrechtjurist en werkzaam als onderzoeker bij de vakgroep Strafrecht en Criminologie van de Rijksuniversiteit Groningen.

    • K. Lindenberg