Nederland doet mee

Amerika vraagt Nederland, na onder meer Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, gericht om hulp bij de oorlog in Afghanistan. Het kabinet heeft besloten eenheden aan te wijzen die op afroep beschikbaar worden gehouden. Het gaat om verschillende typen vliegtuigen, marineschepen en maximaal 1.400 militairen. Premier Kok verzekert dat ze niet betrokken zullen zijn bij gevechtshandelingen. Zij zullen worden ingezet bij de oplossing van problemen op onder andere het humanitaire vlak. Daarnaast kunnen militaire operaties worden ondersteund. Wanneer een ondersteuning van een militaire operatie overgaat in een gevechtshandeling, heeft de premier in het midden gelaten.

Ook al bestaat het voornemen Nederlandse militairen niet aan gevechtshandelingen te laten deelnemen, op en om het slagveld kunnen daartoe geen garanties worden verstrekt. De terroristen hebben getoond slagvaardig te zijn op de grond, ter zee en in de lucht. Aan de veiligheid van de uit te zenden mannen en vrouwen moet dan ook de hoogste prioriteit worden gegeven. Keerzijde van de uitzending zal zijn het verhoogde risico voor terreuraanvallen van het Nederlandse grondgebied zelf. Osama bin Laden heeft de VN en secretaris-generaal Kofi Annan als `crimineel' aangemerkt. De volkerenorganisatie reageert daarop met verscherpte veiligheidsmaatregelen. De regering dient eveneens de waakzaamheid te verhogen nu ons land een stap verder in de gevarenzone zet. Nederland mag dan wel niet in oorlog zijn, de tegenstander ziet dat wellicht anders. De door Osama bin Laden gebezigde terminologie laat geen misverstand bestaan over de omvang van zijn vijandbeeld.

De grondslag voor het Nederlandse optreden vormt het recht van zelfverdediging uit het VN-Handvest. De Veiligheidsraad erkent dat Amerika na de aanslagen van de elfde september een beroep op dat recht toekomt. Dat recht kan ook samen met andere landen worden uitgeoefend. Via het activeren van artikel 5 van het NAVO-verdrag dat zich hiervoor op het Handvest beroept, heeft ook Nederland als lid van het bondgenootschap zich verplicht bij te dragen aan de zelfverdediging van Amerika. Die verplichting wordt nu nagekomen en ingevuld.

Het militaire aspect van de onderneming is intussen minder duidelijk. De verslaggeving over het verloop van de krijgshandelingen heeft tot dusver veel in het ongewisse gelaten en heeft soms zelfs tegenstrijdige beelden opgeroepen. Onduidelijk is verder of Den Haag langs officiële kanalen meer te weten is gekomen dan het publiek. Mogelijk speelt bij haar jongste besluit een stille wens van de regering mee om via een plaats `in de kopgroep' beter geïnformeerd te raken en meer invloed uit te oefenen. Of zo'n wens gezien het beperkte karakter van de Nederlandse bijdrage realistisch zou zijn, staat te bezien.

Een zwak punt dat aandacht verdient, is het ontbreken niet alleen van een duidelijke doelstelling van de oorlog in Afghanistan, maar ook van een `exit strategie'. In alle overwegingen en theorievorming over de militaire operaties waaraan Nederland de afgelopen jaren heeft deelgenomen, stond de beschikbaarheid van een `uitgang' centraal. Amerikaanse autoriteiten hebben toegegeven dat de campagne tegen de Talibaan moeizamer verloopt dan verwacht en dat het einde niet in zicht is. Geen oorlogsscenario overleeft het contact met de vijand, is een gevleugeld gezegde onder militaire plannenmakers. Dat kan pas waar zijn als er om te beginnen van een scenario sprake was. In de oorlog tegen het internationale terrorisme moet dat nog geschreven worden, een waarschuwing aan het adres van de partners die troepen sturen.

Kort na de zelfmoordaanslagen van de elfde september heeft premier Kok moeite gehad met de bepaling van de status waarin Nederland was komen te verkeren. Na enkele aanloopjes stelde hij vast dat sprake was van oorlogshandelingen (tegen de Verenigde Staten), maar dat dit niet betekende dat Nederland in staat van oorlog was. Nu ons land zich opmaakt om daadwerkelijk bij te dragen aan het gewapende conflict in Afghanistan, zal de premier ten overstaan van parlement en volk moeten verduidelijken wat daarvan de gevolgen kunnen zijn en hoe de regering daarmee denkt om te gaan. De gevraagde offers rechtvaardigen de grootst mogelijke openheid.