Madrassa's, mullah's en malt whisky

Voor het eerst in twee decennia tekent zich in Pakistan een kentering af. Na de aanslagen van 11 september in New York en Washington heeft de militaire leider, president Musharraf, de radicale moslims de oorlog verklaard.

Als een koning wordt Sardar Qadri vrijdagmiddag ontvangen in de moskee in Jalalpur Pirwala, een kleine stad tussen de katoenvelden in het zuiden van de Pakistaanse provincie Punjab. Ontroerd verwelkomt een stoet oude mannen met witte baarden en tulbanden hun `pir', hun heilige man wiens familie al sinds onheuglijke tijden optreedt als geestelijk leider van de gemeenschap. Sommigen knielen zelfs voor hem en raken uit respect even zijn voeten aan.

Als alle zeshonderd mannen op de grond zijn gaan zitten, vraagt een oude imam aan Qadri een vrijdagmiddagpreek af te steken. Qadri, die gekleed gaat in een wit pyjama-achtig gewaad met een deftig mouwloos jasje er overheen, kwijt zich vol zelfvertrouwen van deze taak. Vurig spreekt hij over de islam. De godsdienst staat voor vrede en liefde, niet voor geweld en agressie.

De afgelopen weken gingen veelvuldig televisiebeelden de wereld over van radicale pro-Talibaan-betogers in Pakistan. Maar in de preek van Qadri vallen de woorden `Afghanistan' en `Talibaan' geen enkele keer. Al spelen de bombardementen op Kandahar en Kabul zich hemelsbreed slechts op enkele honderden kilometers afstand af, de oorlog lijkt hier ver weg.

Zeker, de meeste mannen in Jalalpur (vrouwen blijven onbereikbaar voor iedere mannelijke vreemdeling) weten wel dat er nare dingen gebeuren in Afghanistan. Als je ze er naar vraagt, spreken de Pakistanen hun solidariteit met de moslims in het buurland graag uit. Waardering voor de Amerikaanse en Britse bombardementen hebben ze niet. Maar erg houdt de zaak hen niet bezig en ze piekeren er niet over zich als vrijwilligers aan te melden in Afghanistan.

In de dichtstbijzijnde grote stad, het oeroude Multan (1,4 miljoen inwoners), is het niet veel anders. Een paar weken geleden hebben radicale moslims in Multan, net als in veel andere Pakistaanse steden, hun steun betuigd aan de Talibaan. Maar deze demonstraties trokken hooguit enkele honderden deelnemers.

Deze slappe opkomst lag in elk geval niet aan een gebrek aan `islamitisch gevoel' in Multan. Als één stad doordrenkt is van de islam, dan is het wel Multan. `Stad van de heiligen' wordt de plaats genoemd. ,,Maar onze heiligen preekten meer over harmonie en vrede dan over een heilige oorlog'', zegt Nadeem Saeed Malick, een plaatselijke journalist.

Nog altijd komen mensen uit de zuidelijke Punjab naar Multan om te bidden bij het mausoleum van Sheikh Rukn-i-Alam, een vermaarde sufi en weldoener uit het begin van de 14de eeuw. Half in trance en gebeden prevelend drukken mannen én vrouwen uit alle lagen van de bevolking hun voorhoofd even tegen het kleed op de tombe van de heilige.

Een nog veel ouder ritueel, dat vermoedelijk zelfs van ver voor de komst van de islam in deze streken dateert, valt buiten het praalgraf van de sufi te zien. Daar strooien gelovigen stukjes rauw vlees, waarop zwermen vliegen, kraaien en andere vogels zich gretig storten. Met dit offer hopen de gevers te bewerkstelligen dat zij of hun dierbaren eindelijk een zoontje zullen krijgen, werk vinden of van een ziekte zullen genezen.

Wahabieten

Zo vanzelfsprekend als deze rituele praktijken voor de moslims in Multan zijn, zo verwerpelijk zijn ze in de ogen van meer orthodoxe moslims. Met name voor de wahabieten, die in Saoedi-Arabië veel aanhang genieten en ook de toon aangeven onder de Afghaanse Talibaan. De wahabieten zijn, evenals het merendeel van de Pakistanen, soennitische moslims. Maar de wahabieten hangen een zeer puriteinse vorm van de islam aan. Ze willen terug naar de islam zoals die ten tijde van de profeet Mohammed werd gepraktiseerd. Alles wat naar heiligen- en afgodsverering riekt is verkeerd. Het enige wat voor hen telt is de koran, het woord van Allah in hoogst eigen persoon.

De wahabieten hebben de afgelopen twintig jaar in Pakistan een substantiële aanhang gewonnen. Met geld uit Saoedi-Arabië en elders in het Midden-Oosten hebben ze in het hele land madrassa's opgezet. Op deze islamitische scholen wordt hun interpretatie van de koran onderwezen. Daarnaast onderwijzen sommige scholen ook militaire vaardigheden.

Vooral in de beide provincies die aan Afghanistan grenzen, de Noordwestelijke Grensprovincie en Baluchistan, zijn de madrassa's broedplaatsen voor fanatieke aanhangers van de Talibaan geworden. Sterker nog, veel Talibaan-leiders hebben op Pakistaanse madrassa's zelf hun beperkte opleiding genoten. Het belang van beide provincies moet overigens niet worden overschat. Samen maken deze slechts ongeveer een zevende deel van de bevolking van Pakistan uit.

In Multan ontbreken zulke madrassa's evenmin, maar ook hier heeft de mildere islamitische traditie van de stad onmiskenbaar een stempel op de scholen gedrukt. De Khair-ul-madrassa, die overigens al zeventig jaar geleden werd opgericht, is de laatste jaren explosief gegroeid dankzij `donaties'. Op de herkomst van deze giften gaat de schoolleiding liever niet in. Want het militaire bewind van president Pervez Musharraf heeft onlangs bepaald dat buitenlandse donaties aan madrassa's alleen nog zijn toegestaan als de staat ermee instemt.

Inmiddels telt de madrassa alleen al in Multan 3.500 studenten, van wie er 2.000 kost en inwoning krijgen. Daarnaast zijn er nog allerlei andere madrassa's in de verre omgeving, die met de school in Multan zijn verbonden. De jongste studenten zijn tien jaar oud, de oudste, meer gevorderde student is dertig jaar. De meesten komen van heel bescheiden families op het platteland.

De school in Multan is veel beter geoutilleerd dan de gemiddelde Pakistaanse staatsschool en trouwens ook dan de gemiddelde madrassa. Er is zelfs een aantal computers voor de studenten en op een grasveld op de binnenplaats spelen studenten enthousiast cricket. Iedere rechtgeaarde wahabiet gruwelt van deze erfenis van de Britse koloniale heersers.

Sympathie voor de Talibaan is er volop. ,,Maar het zijn goede mensen, geen terroristen'', zegt Najamul Haq (33), die hier enkele jaren geleden afstudeerde en nu als administratief medewerker aan de school is verbonden. ,,We studeren hier liever dan dat we ons met politiek bezighouden'', voegt hij er aan toe.

Whisky

Pakistan bestaat al 54 jaar. Toch zijn de Pakistanen nog altijd moeizaam op zoek naar de exacte rol van de islam in hun land, dat voor liefst 97 procent door moslims wordt bewoond. Het grootste deel, ruim viervijfde, hangt de soennitische stroming in de islam aan, de rest is sjiitisch. De stichter van Pakistan, Mohammed Ali Jinnah, was vooral bezorgd dat de moslims in een onafhankelijk India er niet aan te pas zouden komen tegen de veel talrijker hindoes. Daarom ontketende hij in het begin van de jaren veertig een beweging voor een eigen staat voor Indiase moslims, Pakistan, wat letterlijk betekent: het land van de zuiverheid.

Jinnah, een rijke advocaat die niet afkerig was van een goed glas whisky, had bij zijn dood in 1948 echter in het midden gelaten welke rol de islam in de nieuwe staat moest vervullen. Zelf leek hij als in het westen opgeleide jurist meer te voelen voor een scheiding tussen het staatsapparaat en de islam. De eerste jaren van de nieuwe republiek ging het ook die kant op.

Maar al meteen riep dat concept fel verzet op. Bijvoorbeeld van Maulana Maudoodi. De latere grondlegger van de kleine maar invloedrijke fundamentalistische partij Jamaat-i-Islami riep verontwaardigd uit: ,,Wat had die hele strijd voor een eigen moslimstaat voor zin, als we een seculiere en goddeloze grondwet in plaats van een islamitische invoeren?''

De islam bleek zo een minder sterk bindmiddel voor de nieuwe natie te vormen dan Jinnah en de zijnen hadden gehoopt. De onzekerheid nam verder toe, toen in 1971 Oost-Pakistan zich afscheidde en verder ging als de onafhankelijke staat Bangladesh. Hoe kon Pakistan nu nog claimen het thuisland voor Indiase moslims te zijn, nu er alles bijeen twee keer zoveel moslims in India zelf en in Bangladesh woonden als in Pakistan zelf?

Ook nu nog zweeft `het land van de zuiverheid' wat ongemakkelijk tussen de twee polen van een seculiere en een islamitische staat. Sinds het militaire bewind van president Zia-ul-Haq (1976-1988) hadden de radicale moslims de wind in de zeilen. Generaal Zia moedigde doelbewust kleine radicale islamitische partijen aan. Vergeleken met zijn voorgangers gaf hij Pakistan nadrukkelijk een meer islamitisch karakter. Zo werd het land herdoopt in `islamitische republiek Pakistan', een `droge' staat, waar moslims geen alcohol meer mochten drinken. De vrijdag werd de officiële vrije dag en, belangrijker, ook elementen van het islamitisch recht, de sharia, werden ingevoerd. Lijfstraffen waren weer mogelijk in Pakistan, al komen die in de praktijk zelden voor.

Veel Pakistanen beviel deze ontwikkeling maar matig. Neem de eerder genoemde Sardar Qadri uit Jalalpur. Met hoeveel vanzelfsprekendheid hij in de moskee ook het islamitische voorgangerswerk verricht, in werkelijkheid houdt hij er al vele jaren een heel andere identiteit op na. Al 17 jaar is de 44-jarige Qadri consultant in het Engelse Bradford. Hij en zijn gezin wonen in een mooi huis in Manchester, hij rijdt in een Mercedes en gaat gewoonlijk gekleed in goedgesneden westerse pakken. Zijn specialiteit is de bemiddeling bij het aantrekken van computeringenieurs uit Pakistan. Slechts één of twee keer per jaar bezoekt hij even zijn geboorteplaats.

,,Als ik eerlijk ben, zal ik me hier ook niet meer vestigen'', zegt hij. ,,Ik kan niet meer zonder de levensstijl en de mogelijkheden van mijn leven in Engeland. Het enige dat ik nog wél wil, is na mijn dood hier begraven worden.'' Dit wil overigens allerminst zeggen dat Qadri de islam heeft afgezworen. Integendeel, ook in Engeland is hij actief in islamitische verenigingen. Maar hij voelt zich meer op zijn gemak in de moderne, seculiere Britse samenleving dan in het van religie doordrenkte conservatieve leven op het Pakistaanse platteland. Ook al kan hij daar nog zo'n prominente rol spelen.

Slaven

Langzaam maar zeker hebben de radicale moslims de afgelopen decennia terrein gewonnen. Ook in Jalalpur is er inmiddels een madrassa van de wahabieten gekomen. Al heeft die voor zover bekend niet onmiddellijk vrijwilligers naar Afghanistan afgevaardigd ter ondersteuning van de Talibaan.

De opkomst van de radicalen heeft overigens niet louter een religieuze achtergrond, ook sociale factoren spelen hierbij een belangrijke rol. Dat geldt nog sterker voor de zuidelijke Punjab dan voor de veelal door Pathanen bewoonde Noordwestelijke Grensprovincie en voor Baluchistan. Daar voelen veel mensen vooral sympathie voor de Talibaan uit Pathaanse stamverwantschap.

In de zuidelijke Punjab, waar nauwelijks Pathanen zitten, zijn het daarentegen vooral de feodale verhoudingen die veel arme plattelanders in de armen drijven van de madrassa's. Aan deze kant van de rivier de Indus, die als een soort scheidslijn dwars door Pakistan loopt, is de sociale ongelijkheid veel groter dan onder de egalitair ingestelde stam van de Pathanen. Niet voor niets hebben sommigen in Multan en Jalalpur het nog over mensen van ,,de lagere kasten'', een begrip dat gewoonlijk alleen met India in verband wordt gebracht. Machtige families bezitten reusachtige hoeveelheden land, soms tienduizenden hectares tegelijk. Dat vaak zeer vruchtbare land wordt bewerkt door halve slaven, die geheel afhankelijk zijn hun landheren. Die laatsten doen meestal bewust niets aan de verbetering van het onderwijs voor hun arbeiders en hun kinderen. En ook in ander opzicht vinden ze het onwenselijk het platteland te ontwikkelen. Dat schept maar problemen, vrezen ze.

Zo'n landheer is Allah Nawaz Durrani, een verre nazaat van de stichter van de Afghaanse koninklijke familie, die oorspronkelijk ook uit Multan kwam. Durrani vindt niets heerlijker dan in de schemering even naar zijn uitgestrekte mangokwekerij vlak buiten Multan te rijden en daar alleen of met vrienden stiekem enkele glazen whisky te nuttigen. ,,Ik hoop dat president Musharraf de gelegenheid aangrijpt en nu eindelijk eens een halt toeroept aan het gezeur van die radicale mullahs'', zegt hij terwijl hij nog eens inschenkt. In het licht van de opkomende maan is ondanks het late uur nog een boerenknecht in de weer met Durrani's tractor in de boomgaard. In de verte schalt van een minaret de oproep tot het avondgebed.

Durrani, die nog een tweede grote mangokwekerij en een katoenplantage bezit, heeft midden in deze boomgaard een tweede huis laten bouwen met een fraai gazon en een zwembad. Deze dienen verschillende doeleinden. Ten eerste om er zijn maîtresse te ontmoeten, zoals hijzelf ruiterlijk erkent. Verder ontvangt hij in deze idyllische omgeving af en toe ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders, want zoals het een heuse landheer betaamt, is hij ook actief in de politiek, in zijn geval in Benazir Bhutto's PPP. Een vooraanstaand politicus is Durrani overigens niet, zo weet de journalist Malick te melden. Daarvoor bezit Durrani ook te weinig grond.

Eeuwenlang konden de landheren de straatarme boeren op hun vruchtbare land ongestoord uitbuiten. Maar niet iedereen accepteert die verhoudingen meer als vanzelfsprekend. Een begin van emancipatie begint zich af te tekenen. ,,Vooral mensen van bescheiden komaf die hun geluk zoeken in de stad en daar enig succes hebben wensen niet meer als slaven te worden behandeld als ze in hun geboortedorp terugkeren'', zegt Qadri. ,,Juist zulke mensen zorgen ervoor dat hun zoons of neven naar madrassa's gaan in de hoop dat ze wat meer opleiding krijgen dan zijzelf vroeger.''

Dat laatste blijkt dikwijls een illusie. Want op de meeste madrassa's staat uitsluitend de koran op het lesrooster en al ken je die uit je hoofd, daarmee kom je ook op de Pakistaanse arbeidsmarkt niet ver. De `afgestudeerden' voelen zich om die reden tekortgedaan door de staat, die bovendien in hun orthodoxe ogen hoe dan ook lang niet voldoende islamitisch is.

Huisarrest

Zo radicaliseren deze jongeren. Sommigen, vooral in de Noordwestelijke Grensprovincie, sluiten zich aan bij de Talibaan. Anderen, in bij voorbeeld de zuidelijk Punjab, zoeken hun toevlucht bij semi-criminele religieuze groepen, die regelmatig terroristische acties in Pakistan uitvoeren tegen willekeurige gelovigen. In de praktijk staan vaak met Saoedisch geld gesteunde soennitische extremisten tegenover door Iran gesteunde sjiieten. Sommige feodale grootgrondbezitters gebruiken de extremisten ook om de schrik bij de mensen op hun land erin te houden.

Tot voor kort hadden de extremisten min of meer vrij spel. Geld kregen ze vaak uit het buitenland, hun leden recruteerden ze aan de madrassa's en wapens zijn in Pakistan tegenwoordig overal voorhanden en spotgoedkoop. Wie zich tegen hen verzette of kritiek uitoefende riskeerde fysiek te worden aangevallen. Noch de krachteloze en door en door corrupte regeringen van Benazir Bhutto, noch de even waardeloze kabinetten van Nawaz Sharif pakten deze organisaties in de jaren negentig ooit serieus aan. Zo hadden de radicale moslims een naar verhouding buitensporig grote invloed. Al bleken hun politieke geestverwanten bij verkiezingen steeds op bijzonder weinig geestdrift bij het electoraat te kunnen rekenen. Ze kwamen nooit verder dan een procent of vijf van de stemmen.

Maar voor het eerst in twee decennia tekent zich nu een kentering af. Al voor de aanslagen van 11 september in New York en Washington had de militaire leider, president Musharraf, de radicale moslims min of meer de oorlog verklaard. De generaal, zelf een bewonderaar van het Turkse seculiere model, legde de madrassa's beperkingen op en verbood enkele extremistische islamitische groepen. Na 11 september heeft Musharraf die lijn versneld voortgezet. Voor het eerst sinds mensenheugenis zijn inmiddels de voormannen van de fundamentalistische politieke partijen onder huisarrest geplaatst.

Tot dusverre heeft generaal Musharraf, die zichzelf enkele maanden geleden plotseling tevens tot president verhief, goed aangevoeld hoever hij kan gaan. Afstand nemen van de Talibaan, die door voorgaande Pakistaanse regeringen juist krachtig werd gesteund, en aansluiting zoeken bij het westen en gematigde moslimstaten was zijn consigne. Economisch heeft het onderontwikkelde Pakistan daarbij ook het meeste te winnen.

,,Tot voor kort waren we bang dat Pakistan geleidelijk aan zou talibaniseren'', zegt de lokale journalist Malick in Multan. ,,Maar de meerderheid in Pakistan wil helemaal niet terug naar het soort samenleving zoals dat in de zevende eeuw bestond. We zaten echt op een doodlopend spoor. Nu gaan de zaken gelukkig voor het eerst weer in de goede richting.''

Zo lijkt het conflict in Afghanistan er paradoxaal genoeg toe te leiden dat de slinger in Pakistan na ruim twee decennia van islamisering weer terugzwaait in de richting van het secularisme. Jinnah, de nog altijd als een heilige vereerde stichter van Pakistan, wiens uitgeteerde gelaat je via portretten in het land overal aanstaart, zou er vermoedelijk wel vrede mee hebben gehad.

    • Floris van Straaten