Landbouw

Wanneer het door Dick van Eyk besproken derde deel van `Techniek in Nederland in de twintigste eeuw' inderdaad aan `schaalvergroting in de landbouw' is gewijd, is het niet realistisch in de kop van het artikel alleen de aandacht te vestigen op 180.000 trekkers (W&O, 27 oktober).

Zoals terecht wordt opgemerkt was het economisch voordeel voor de boer in kwestie verre van evident met als gevolg dat de vervanging van paarden door trekkers met bijbehorende machinerie in Nederland nauwelijks heeft bijgedragen tot schaalvergroting in de grondgebonden landbouw. Het economisch verantwoord toepassen van deze vorm van mechanisatie werd vooral bereikt door het oprichten van boerenwerktuigencoöperaties en het inschakelen van loonwerkbedrijven.

De door de Nederlandse landbouw gemaakte `grote sprong voorwaarts' is in veel sterkere mate te danken aan de in het artikel nergens genoemde melkmachine, die in tegenstelling tot de trekker bezwaarlijk op meer dan één bedrijf kan worden toegepast. Vooral doordat in de jaren vijftig op veel bedrijven hoogstens 10 à 15 melkkoeien waren die door één man in ongeveer twee uren met de hand gemolken konden worden terwijl later één man machinaal 60 à 100 koeien per uur kon melken is de enorme schaalvergroting in de landbouw te verklaren.

Deze schaalvergroting (aantal melkkoeien per bedrijf) was aanvankelijk bij een gelijkblijvende bedrijfsoppervlakte te bereiken door specialisatie (de overgang van gemengde bedrijven met grasland en akkerbouwgewassen naar melkveebedrijven met grasland en maïs) en intensivering (meer kunstmeststikstof en aangekocht krachtvoer). Nadat deze mogelijkheden waren benut vond verdere schaalvergroting plaats door de bedrijfsoppervlakte te vergroten ten koste van kleinere buurbedrijven zonder opvolger, met uiteraard grote sociale gevolgen.

    • C.J. Cleveringa