Kernstuk reformasi in de ijskast

Het Indonesisch Volkscongres heeft een ingrijpende herziening van de grondwet uitgesteld. De status quo blijft voorlopig gehandhaafd.

Een westerse ambassadeur zei in 1991 bij zijn afscheid van Indonesië, dat toen nog zuchtte onder het bewind van generaal Soeharto: ,,Democratisering in dit land vereist een politieke generatiewisseling, want een paternalistisch systeem kan zichzelf niet ontmannen.'' Vannacht bleek hoezeer hij het bij het rechte eind had. De tweede jaarlijkse zitting van het Volkscongres, het hoogste college van staat, dat de grondwet van 1945 op hoofdpunten had moeten aanpassen, eindigde gisteravond om 23.00 uur in een impasse en besloot deze ingreep een jaar uit te stellen.

Twee jaar na het principebesluit om de constitutie te herzien is het congres nog steeds niet in staat – of niet bereid – de oude staatsregeling waaraan het zijn macht ontleent in democratische zin te veranderen. Het Volkscongres wil het ontwerpen van een nieuw bestel in eigen hand houden, maar heeft gefaald bij de uitoefening van dat recht. De status quo blijft voorlopig gehandhaafd en een kernstuk van de reformasi is bijgezet in de politieke ijskast.

De deze week behandelde ontwerpamendementen behelsden rechtstreekse verkiezing van president en vice-president en verandering van het slechts voor tweederde gekozen Volkscongres van een 'superlichaam', dat presidenten kiest en ontslaat, in een gezamenlijke zitting van twee, geheel gekozen, kamers: het parlement en een Raad van Regionale Afgevaardigden. Corporatistische elementen in het huidige bestel – de niet gekozen afvaardigingen van leger, politie, gewesten en maatschappelijke groepen in het Volkscongres – zouden verdwijnen. Sluitstuk van dit pakket was de oprichting van een Constitutioneel Hof met de bevoegdheid om zowel de handel en wandel van het gekozen staatshoofd als de wetgevende arbeid van het parlement te toetsen aan de grondwet.

Was dit pakket aanvaard, dan zou Indonesië afscheid hebben genomen van het huidige hybride presidentieel-parlementaire systeem, waarin de machtsbalans afwisselend doorsloeg naar president of Volkscongres, al naargelang hun `assertiviteit'. Het zou zijn vervangen door een presidentieel bestel met de nodige checks and balances. De rechtstreeks gekozen president zou sterk aan legitimiteit hebben gewonnen en niet langer zijn overgeleverd aan de grillen van een `politieke elite' die zich, zonder duidelijk mandaat, kan verschansen in het Volkscongres. Een dergelijke transformatie zou recht hebben gedaan aan de democratische aspiraties van de volksbeweging die potentaat Soeharto in 1998 tot aftreden dwong en de huidige, labiele politieke verhoudingen in Indonesië heeft gestabiliseerd. Dat is niet gebeurd. Waarom niet?

Na de val van Soeharto werd de (grondwettige) oprichting van politieke partijen opnieuw mogelijk en in 1999 werden de eerste vrije verkiezingen gehouden sinds 1955. Met uitzondering van de in 1965 bloedig geliquideerde linkerzijde beleefde Indonesië de wedergeboorte van oude politieke stromingen. De seculier-nationalistische PDI-P van Soekarno's dochter Megawati trad in het voetspoor van haar vaders Partai Nasional Indonesia en werd men met 35 procent van de stemmen de grootste partij. De verdeelde politieke islam manifesteerde zich met een scala aan partijen, die samen net 30 procent haalden.

Nieuw, althans in vergelijking met het politieke spectrum van 1955, was Golkar, het seculier-technocratische vehikel van Soeharto, dat na diens val de democratie omhelsde. Dankzij traditioneel stemgedrag in de `buitengewesten' – andere eilanden dan het dichtbevolkte en verstedelijkte Java – bleek Golkar nog steeds goed voor 20 procent van de stemmen. Daarmee bleven Soeharto's vazallen, die hem in 1998 in de steek hadden gelaten, aan de bal.

Deze `politieke elite' benoemde zelf haar vertegenwoordigers in het parlement – de kiezers stemden in 1999 slechts op partijsymbolen – en bond de strijd aan met de macht van de president. Ze liet zich daarbij minder leiden door democratische overwegingen dan door eigen machtshonger. De in dat jaar door het Volkscongres tot staatshoofd verkozen liberale moslimleider Wahid hield vast aan zijn grondwettige prerogatieven en werd in juli door datzelfde college afgezet.

Zijn opvolger Megawati moet het hebben van een seculiere meerderheid – PDI-P en Golkar – maar die partijen zijn elkaars concurrenten op de kiezersmarkt. Zij bleken deze week niet in staat hun strijdige electorale belangen te overbruggen met een compromis dat de weg had kunnen banen voor een democratischer staatsbestel.

Megawati, die vreest dat rechtstreekse verkiezing van de president een diepe kloof slaat in het electoraat, bezwoer de PDI-P-fractie gisteravond om de politieke meningsverschillen over de ontwerpamendementen niet via een stemming op de spits te drijven. Het congres besloot grondwetswijziging voor zich uit te schuiven. Het is de vraag of deze `politieke elite' volgend jaar wel bereid is om haar macht in de waagschaal te leggen en de soevereiniteit in handen te geven van het volk. Het oude paternalisme kan zichzelf niet ontmannen.