Hollands populisme

Wanneer een volk het geloof in zijn politici verliest, mogen de amateurs een gokje wagen: amusante schertsfiguren met uitzinnige meningen of bizar gedrag dringen zich de politieke arena binnen en worden min of meer tot hun eigen verbazing nog serieus genomen ook. De media houden van hen, ze zijn niet van het scherm af te slaan en ze worden gekoesterd door ontevreden kiezers heel even. In Italië dreigde eens de giechelende pornopoes Cicciolina de politieke orde te verstoren, in Frankrijk leek de onleuke komiek Coluche een gooi naar het presidentschap te doen, en in Vlaanderen probeerde de baardaap Jean-Pierre van Rossem in het parlement te komen, een carrièreplan dat eindigde in de gevangenis. Het politieke establishment in die landen reageerde onverstoorbaar op deze politieke komieken; het enige dat ze wisten te mobiliseren was een afkeer van het politieke bedrijf an sich, een afkeer die altijd in onmacht zou stranden. De politici van de traditionele partijen konden vriendelijk meelachen met deze eendagsvliegen, zij wachtten rustig tot het overging.

Maar het is niet overgegaan. Die politieke paljassen bleken stuk voor stuk wegbereiders voor een veel grotere onvrede: die van extreem rechts. De ongerichte onlustgevoelens vonden plotseling vertolkers in nieuwe politici die politiek wisten te bedrijven vanuit een wijdverbreide afkeer van diezelfde politiek. Het Front National, Berlusconi, Filip de Winter, je kunt ze beschouwen als de rechtmatige erfgenamen van al die ongeleide politieke projectielen uit de jaren tachtig.

Nederland heeft zichzelf lang gelukkig geprezen. In Nederland was extreem rechts lang een komieke bedoening. Het jammerlijke verschijnsel Janmaat onderstreepte dat ons land geen voedingsbodem was voor volkse, antipolitieke ressentimenten; zijn Centrumpartij was hoogstens een heerlijk doelwit voor politici die zich fatsoenlijk en rechtschapen en moreel hoogstaand wilden tonen. Daarna kon iedereen weer genoeglijk achterover leunen, de vijand was al verslagen nog voor hij tot de aanval was overgegaan.

Geen wonder dat er nu door politici zo wegwerpend wordt gereageerd op de plotselinge mediaopkomst van professor Pim Fortuyn, die zich heeft opgeworpen als lijsttrekker van de nieuwe volkse rancunepartij, Leefbaar Nederland. Fortuyn was lange tijd een herkenbare schertsfiguur, een wonderlijke kruising tussen Cicciolina en Jean-Pierre Van Rossem, die zich overal mee bemoeide en dus door niemand serieus genomen werd. Wanneer hij ergens het woord nam, trokken de lippen van de overige aanwezigen meteen minachtend samen. Als hij al populair was, dan toch als een soort Joop Braakhekke van de politiek, te ijdel, te cynisch, te nichterig ook, om toegelaten te worden in de kringen van de politieke haute cuisine. Zijn domein was de zijlijn.

Diezelfde neerbuigende kwalificaties duiken ook nu op in de commentaren op de aankondiging van Fortuyns lijsttrekkerschap. Dat lijkt me een misrekening. De afgelopen jaren heeft Fortuyn zich eigenhandig getransformeerd van komische figurant tot een politiek scherpschutter van Haideriaanse allure. Die transformatie heeft hij grotendeels te danken aan een ontwikkeling die door de traditionele politieke partijen domweg over het hoofd wordt gezien, omdat die henzelf betreft. Want professor Fortuyn is niets anders dan de vloek die ze over zichzelf hebben afgeroepen.

Zet de professor bijvoorbeeld eens tegenover PvdA-Kamerlid Judith Belinfante. Zij werd vier jaar geleden juichend de landelijke politiek binnengehaald. Ze beschikte over geen enkele politieke ervaring, maar wel over een hoop politiek correcte leuzen en een dosis verbeten machtswellust in naam van een rechtvaardiger wereld. In vier jaar Kamerlidschap wist Belinfante geen enkele keer de schijn van oprechte betrokkenheid te wekken. Ze leed aan de dubbele onoprechtheid die de meeste Nederlandse politici tekent: aanpassing aan de egocultuur binnen de partij, in dit geval de PvdA, en anderzijds de versleten oud-linkse frases over een multiculturele samenleving, waarin zoveel exotische restaurants gedijen en je fijn politiek theater kunt spelen. Diezelfde politieke cultuur zorgt ervoor dat Belinfante na vier jaar zinloos Kamerlidschap in het chaotische kielzog van Rick van der Ploeg aan de kant wordt gezet. In een interview in Vrij Nederland gaf ze iedereen de schuld, behalve zichzelf. En ze opteerde maar vast voor een staatssecretarisschap, regeren zou haar vast beter afgaan dan de regering controleren.

Fortuyn heeft geen achterban, wordt steeds gezegd, en je bent geneigd daarmee in te stemmen wanneer je kijkt naar de losse verzameling benepen burgers die zich in Leefbaar Nederland heeft verzameld. Maar die afwezigheid van een achterban is nu juist wat Fortuyn voor veel kiezers aantrekkelijk zal maken. Hij heeft het aura van de ongebondenheid verworven, iemand die onafhankelijk van partijbelangen kan zeggen wat hij meent. Dat is zijn grote kracht dat het ook zijn grote zwakte zal blijken te zijn, wordt pas zichtbaar wanneer er in plaats van meningen om ideeën wordt gevraagd. Maar vergelijk het optreden van Fortuyn met dat van de nieuwe PvdA-lijsttrekker Ad Melkert, wanneer hij voor het oog van de camera ferme taal over allochtone jongeren probeert uit te slaan, of met het loze gekakel van Annemarie Jorritsma aan het zwembad bij Rik Felderhof of met het chronische gekwezel van Rosenmöller of de multiculturele drogredenen van Varmaverpleegster Femke Halsema of de luie bonhomie van premièreganger Hans Dijkstal en je begrijpt meteen dat het niet afdoende zal zijn om Fortuyn weg te zetten als een populist.

In een tijd waarin langzaam maar zeker duidelijk wordt dat na acht jaar Paars schrikbarend veel bestuurlijke en openbare instellingen aan wanorde ten onder dreigen te gaan en de meeste beleidsplannen gefaald hebben, kan je het volk moeilijk kwalijk nemen dat het met een demagoog komt aanzetten. De ijdelheid en het cynisme van Fortuyn vallen volledig in het niet vergeleken bij de potsierlijke mannetjesmakerij van de grote partijen en de onstuitbare hang naar het oog van de camera van ministers die er niet in lijken te slagen ook maar een enkel wezenlijk probleem op te lossen.

Natuurlijk zal de vernieuwing van de Nederlandse politiek van binnenuit moeten komen. Leefbaar Nederland en ook Fortuyn zelf zullen eindige fenomenen blijken te zijn. Maar in plaats van loze schimpscheuten richting Fortuyn af te schieten, zou de Nederlandse politiek er goed aan doen eens naar zichzelf te kijken. Van de huidige politieke generatie lichtgewichten lijkt me dat te veel gevraagd. Intussen verheug ik me op het eerste debat in de Tweede Kamer tussen Pim Fortuyn en Paul Rosenmöller.

    • Bas Heijne