DEEL DYSLECTICI SCOORT SLECHT OP INHIBITIETESTEN

Naar hun stijl van lezen zijn er twee soorten dyslectici te onderscheiden: gokkers en spellers. De gokkers lezen snel en gehaast en maken daardoor veel fouten. De spellers lezen juist uiterst langzaam en gefragmenteerd en maken daardoor weinig fouten. Afgelopen dinsdag promoveerde de Amsterdamse onderzoeker Menno van der Schoot aan de VU op een onderzoek waarin hij vaststelde dat het leesprobleem van de gokkers nauw samenhangt met een gedragsremmingsproblemen (Dyslexia and Inhibition, uitgave in eigen beheer). Uit experimenten met 20 gokkers, 20 spellers en 20 gewone lezers (allen tussen de negen en twaalf jaar oud) blijkt dat gokkers minder goed dan spellers en gewone lezers een eenmaal begonnen taak kunnen onderbreken. De spellers scoorden op deze inhibitietesten daarentegen beter dan de gewone lezers.

Het gaat daarbij om klassieke neurofysiologische testjes. Bijvoorbeeld de `stoptaak', waarbij om de twee seconden een letter wordt aangeboden op een computerscherm. Afhankelijk van de welke letter er verschijnt moet de proefpersoon zo snel mogelijk met zijn linker- of rechterhand op een knop drukken. Soms klinkt er echter een toon of verschijnt er een visueel signaal kort nadat de letter in beeld is gekomen: dat is het teken dat er geen enkele knop moet worden ingedrukt. Een andere test is de Tower of London, een soort spelletje waarbij kralen volgens bepaalde regels in een bepaalde configuratie over paaltjes verdeeld moeten worden. Deze test meet in hoeverre de proefpersoon in staat is zijn handelen goed te plannen zonder al te veel impulsieve beslissingen.

Het mate waarin de gokkers tekortschoten in inhibitie van hun gedrag bleek ongeveer een derde van de variatie in hun leesscores te verklaren. Van der Schoot verrichtte tijdens de testen ook elektrische metingen aan de hersenen waaruit bleek dat de elektrische activiteit van de frontale cortex (het hersendeel dat nauw betrokken is bij planning en gedragsregulering) bij de gokkers afweek van die bij de andere kinderen.

Dyslexie blijkt in het algemeen samen te hangen met problemen in het goed onderscheiden van fonemen, de kleinste eenheden in gesproken taal, maar Van der Schoots onderzoek wijst erop dat bij een deel van hen ook specifieke neurofysiologische problemen bestaan.

    • Hendrik Spiering